Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2009–2010
32 012 Governance in de zorgsector
Nr. 9 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 22 juli 2010
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport1 bestond
er bij enkele fracties behoefte een aantal vragen ter beantwoording voor
te leggen aan de minister van Economische Zaken over de brief van
12 maart 2010 inzake de herziene richtsnoeren voor de zorgsector van de
NMa (Kamerstuk 32 012, nr.8).
De op 25 mei 2010 toegezonden vragen zijn met de door de minister bij
brief van 22 juli 2010 toegezonden antwoorden, voorzien van een inleding,
hieronder afgedrukt.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Smeets
Adjunct-griffier van de commissie,
Clemens
1
Samenstelling:
Leden: Staaij, C.G. van der (SGP), Ferrier, K.G.
(CDA), Ham, B. van der (D66), Smeets, P.E.
(PvdA), Fng voorzitter, Miltenburg, A. van
(VVD), Schippers, E.I. (VVD), Smilde, M.C.A.
(CDA), Veen, E. van der (PvdA), Gerven, H.P.J.
van (SP), Zijlstra, H. (VVD), Ouwehand, E.
(PvdD), Agema, M. (PVV), Leijten, R.M. (SP),
Bouwmeester, L.T. (PvdA), Wolbert, A.G.
(PvdA), Wiegman-van Meppelen Scheppink,
E.E. (CU), Uitslag, A.S. (CDA), Harbers, M.G.J.
(VVD), Dijkstra, P.A. (D66), Dille, W.R. (PVV),
Gerbrands, K. (PVV), Voortman, L.G.J. (GL) en
Klaver, J.F. (GL).
Plv. leden: Dijkgraaf, E. (SGP), Atsma, J.J.
(CDA), Vacature, (D66), Dekken, T.R. van
(PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink, I. (VVD),
Venrooy-van Ark, T. (VVD), Ormel, H.J. (CDA),
Klijnsma, J. (PvdA), Ulenbelt, P. (SP), Krom, P.
de (VVD), Thieme, M.L. (PvdD), Sharpe,
J.E.J.W. (PVV), Kooiman, C.J.E. (SP), Arib, K.
(PvdA), Vermeij, R.A. (PvdA), Ortega-Martijn,
C.A. (CU), Sterk, W.R.C. (CDA), Neppérus, H.
(VVD), Koser Kaya, F. (D66), Beertema, H.J.
¸
(PVV), Bosma, M. (PVV) ,Sap, J.C.M. (GL) en
Halsema, F. (GL).
kst-32012-9
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2010 Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 1
Inhoudsopgave blz.
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties 2
II. Reactie van de minister 7
I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES
Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van de door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) opgestelde
richtsnoeren voor de zorgsector. Zij waarderen het dat de NMa met een
uitgebreide consultatie getracht heeft meer duidelijkheid te geven over
bijvoorbeeld de mogelijkheden tot samenwerken in de zorg. Deze leden
vragen of het kabinet tevreden is met de herziening die mede op grond
van deze consultatieronde heeft plaatsgevonden. Op welke wijze en met
welke inzet heeft het kabinet zijn bijdrage geleverd aan de consultatie-
ronde? Zijn er nog onderdelen die naar het oordeel van de kabinet
bijstelling of een nadere herziening behoeven, zo vragen de leden van de
CDA-fractie. Zo ja, welke?
Het kabinet streeft in de zorg naar meer kwaliteit en samenhang. Dat uit
zich bijvoorbeeld in de ambities ten aanzien van ketenzorg. Kan het
kabinet aangeven of en in welke mate de richtsnoeren die beleidsambities
ondersteunen, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zij constateren dat
er bij de aanbieders hierover nog steeds onhelderheid bestaat, terwijl
samenhang en samenwerking bij kunnen dragen aan kwaliteit en
doelmatigheid in de zorg. Acht het kabinet bij ketenzorg een groepsvrij-
stelling passend en gewenst, zo vragen deze leden.
De leden van de CDA-fractie missen in de richtsnoeren een beschouwing
over nieuwe vormen van samenwerking, zoals de coöperatie en
specialisten-bv’s. Terwijl juist bijvoorbeeld de coöperatie een alternatief
kan bieden voor de door deze leden eerder veroordeelde ongebreidelde
fusiedrang in de zorg. Meer helderheid hierover van de zijde van de NMa
zou naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie de zorgaanbieders
kunnen helpen bij het kiezen voor een alternatieve samenwerkingsvorm in
plaats van een fusie. Zij ontvangen graag een reactie van het kabinet
hierop.
Wat de leden van de CDA-fractie verbaast is dat in de richtsnoeren geen
onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende deelsectoren in de
zorg. Terwijl de mate van regulering en de aard van het ondernemerschap
of de mededinging per deelsector veel verschillen. Naar het oordeel van
deze leden zijn bijvoorbeeld de ouderen- en de gehandicaptenzorg niet
vergelijkbaar met de ziekenhuiszorg. Kan het kabinet aangeven op welke
wijze dat onderscheid doorwerkt in de beoordeling door de NMa? Is dus
de NMa kritischer op bijvoorbeeld samenwerking tussen ziekenhuizen dan
op samenwerking tussen gehandicaptenzorginstellingen, waarin eigenlijk
niet van marktwerking sprake is? Is dit voldoende eenduidig en trans-
parant voor de aanbieders, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Heeft
niet allereerst het kabinet een verantwoordelijkheid in het scheppen van
helderheid hierover? Want juist het kabinet bepaalt de doelen en grenzen
van het beleid en dus ook het ondernemerschap in de zorg. Deze leden
zijn beducht voor een doorwerking van de eigenstandige visie van de
NMa zelf op marktwerking in de zorg, waar naar het oordeel van de leden
van CDA-fractie alleen het kabinetsbeleid voor de NMa leidend kan zijn. Zij
vragen of het kabinet hun zorg weg kan nemen en ook wil bijdragen aan
de noodzakelijke helderheid voor zorgaanbieders.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 2
Publieke belangen kunnen soms prevaleren boven het belang van de
mededinging. Terecht, zo stellen de leden van de CDA-fractie. Dat brengt
deze leden bij de vraag of het kabinet aan de NMa en dus ook aan de
aanbieders voldoende helderheid geeft over wat verstaan moet worden
onder kwaliteit, bereikbaarheid, doelmatigheid en betaalbaarheid. Dit
terwijl juist deze publieke belangen reden kunnen zijn om een samen-
werking, zelfs als die de mededinging beperkt, wel toe te staan. Vraagt dat
van het kabinet geen nadere duiding en beschrijving van de publieke
belangen en de beoordelingscriteria die daarbij horen, om te voorkomen
dat de NMa en de overige toezichthouders zelf hierin keuzes moeten
maken? Zo ja, hoe bevordert het kabinet deze duidelijkheid en eendui-
digheid, zo vragen de leden van de CDA-fractie.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van een fusie-effectrap-
portage, die zorgaanbieders dwingt om hun eventuele keuze voor een
fusie stevig te onderbouwen en daar draagvlak voor te vinden. Kan naar
het oordeel van het kabinet een fusie-effectrapportage de NMa zowel
procedureel als inhoudelijk in haar beoordeling ondersteunen of
beïnvloeden?
Hoe beoordeelt het kabinet de voorgenomen collectieve regeling voor de
thuiszorg tussen de NMa, ActiZ en Branchebelang Thuiszorg Nederland
(BTN)? De leden van de CDA-fractie waarderen de intenties van deze
regeling, maar zij vragen waarom een dergelijke regeling beperkt moet
blijven tot de thuiszorg. Kan een onafhankelijke commissie niet voor alle
sectoren van nut zijn, zeker waar er bij de aanbieders onzekerheid is over
de ruimte voor samenwerking? Vraagt een dergelijke regeling geen
addendum op de richtsnoeren, zo vragen deze leden.
Ten slotte vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet de wijze
van samenwerking tussen de NMa, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)
en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) beoordeelt, zoals die
onder meer in deze richtsnoeren tot uitdrukking komt. Deze leden zien
hierin nog steeds onduidelijkheden en mogelijke potentiële conflicten of
onhelderheid voor de aanbieders. Ziet het kabinet met deze leden daarom
reden voor een wettelijke regeling?
Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie
De leden van de fractie van de PvdA hebben kennisgenomen van de
herziene richtsnoeren voor de zorgsector van de NMa. Deze leden
beoordelen de nieuwe richtsnoeren van de NMa als een duidelijke
verbetering ten opzichte van de oude richtsnoeren uit 2007. Een terug-
kerend thema was de onduidelijkheid in de sector over de grenzen die de
Mededingingswet zou stellen aan onderlinge samenwerking tussen
zorgaanbieders. Genoemde leden zijn blij dat de Mededingingswet
samenwerkingsvormen tussen zorgaanbieders die vanuit kwaliteits- of
doelmatigheidsoogpunt wenselijk zijn niet in de weg staat. De leden van
de PvdA-fractie hebben nog wel enkele aanvullende vragen.
De rolverdeling tussen de NMa en de NZa lijkt in de praktijk, en ook in het
schema in deze richtsnoeren complex. Waarom hebben de NMa en de
NZa beide de bevoegdheid om toezicht te houden op mededinging in de
zorgsector? Geeft dit geen onduidelijkheid en samenwerkingsproblemen?
Zouden de taken van de NMa gedelegeerd of gemandateerd kunnen
worden naar de NZa zodat er één toezichthouder op de marktordening in
de gezondheidszorg komt?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 3
De NMa geeft aan dat klachten van zorgaanbieders over zorgverzekeraars
niet worden ondersteund, omdat niet aannemelijk is dat zorgverzekeraars
op de verkoopmarkt over een economische machtspositie beschikken.
Hier baseert de NMa zich echter op een besluit van de Raad van Bestuur
van de NMa van 31 mei 2006. De leden van de PvdA-fractie denken dat het
tijd is voor een nieuw NMa onderzoek naar de ordening van de zorgverze-
keringsmarkt, aangezien het aantal zorgverzekeraars is afgenomen naar
vier grote spelers en één samenwerkingsverband van kleine verzekeraars.
Is de minister bereid een nieuw onderzoek door de NMa te laten
uitvoeren?
De NMa gaat niet in op de vraag of het feit dat in bepaalde regio’s één
zorgverzekeraar een groot marktaandeel heeft ook betekent dat deze
zorgverzekeraar een economische machtspositie heeft. Kunnen de
minister en de NMa per provincie aangegeven wat de marktaandelen van
de zorgverzekeraars zijn en of er in elk specifiek geval sprake is van een
economische machtspositie?
Partijen die een melding van een concentratie indienen kunnen op basis
van gewichtige redenen ontheffing verleend krijgen van het verbod om de
concentratie tot stand te brengen voordat de wachtperiode is verstreken.
Een gewichtige reden is een dreigend faillissement. De richtsnoeren zijn
echter onduidelijk. Wat telt voor de NZa in dit geval zwaarder: het
faillissement van de onderneming en daarmee de continuïteit van zorg of
het feit dat concentratie de twee zorginstellingen tot een economische
machtspositie leidt?
Tijdens de hoorzitting met de NMa over de richtsnoeren werd aangegeven
dat de politiek te weinig inhoud geeft aan de publieke belangen binnen de
gezondheidszorg. Een publiek belang is de bereikbaarheid van zorg.
Neemt de NMa bij een verzoek tot concentratie van zorgvoorzieningen
ook de bereikbaarheidsnormen ten aanzien van zorgverlening in acht? Zo
ja, hoe? Zo niet, hoe zou deze toetsing kunnen worden vormgegeven?
Tijdens de hoorzitting gaf de NMa aan dat er altijd een afweging gemaakt
moest worden tussen kwaliteit van de zorg en de efficiency van de zorg.
Welke prioriteitsstelling hanteert de NMa hierin? Hoe waardeert de NMa
het criterium efficiency ten opzichte van het criterium kwaliteit?
De NMa stelt dat de richtsnoeren verduidelijkend zijn, maar niet in elke
situatie zullen gelden. Er moet sprake zijn van maatwerk. Wat zou de
beoordeling van de NMa zijn ten aanzien van de volgende situatie: artsen
nemen in een samenwerkingsverband (zorggroep) een groot gedeelte van
apothekerstaken over doordat ze herhaalrecepten van medicijnen voor
chronische patiënten zelf afhandelen en afleveren. De beroepenscheiding
tussen voorschrijven en afleveren van geneesmiddelen wordt hierdoor
verbroken. Belangrijke apothekerszorg zoals afstemming van het
herhaalgeneesmiddel met andere medicijnen van de betreffende patiënt
blijft hierdoor achterwege, wat gevolgen zou kunnen hebben voor de
medicatieveiligheid. Zullen de NMa en de minister dit toestaan of
verbieden?
De NMa gaf tijdens de hoorzitting aan dat bij de beoordeling van
marktsituaties vaak gevraagd wordt om medische expertise om de
gevolgen ten aanzien van de kwaliteit van zorg te beoordelen. Het
gegeven voorbeeld was het in kaart brengen van de voor- en nadelen van
specialisatie van zorg door middel van concentratie. Als de NMa niet in
staat is zelfstandig de gevolgen voor de kwaliteit van zorg – een publiek
belang – te beoordelen, moeten dit soort situaties dan niet worden
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 4
getoetst door een toezichtorgaan met een medische achtergrond in plaats
van een economische achtergrond?
De leden van de PvdA-fractie willen graag meer informatie over het
spanningsveld tussen de Mededingingswetgeving en samenwerking. Hoe
beoordeelt de NMa of bij een samenwerkingsafspraak de mogelijke
positieve gevolgen van de samenwerking opwegen tegen de mogelijke
negatieve effecten voor de mededinging? Kan de minister dit kader
expliciet maken en door middel van een voorbeeld illustreren?
De NMa geeft aan dat samenwerking is toegestaan als die de patiënt ten
goede komt. Waar dient naar het oordeel van de minister de grens te
liggen tussen geoorloofde samenwerking en verplichte concurrentie?
Tijdens het overleg met de Kamercommissie waarschuwde de NMa dat er
eenduidige en toetsbare criteria voor de kwaliteit nodig zijn. Welk
standpunt heeft het kabinet naar aanleiding van dit pleidooi en wat voor
stappen worden er op dit gebied genomen?
Tijdens de hoorzitting sprak de NMa uit ook «niet-markten» te beoordelen
op de vraag of vrijheid van keuze en vrijheid van ondernemen niet
bemoeilijkt wordt. De NMa gaat actief op zoek naar de onvolledige ruimte
van concurrentie, houdt daar toezicht op en publiceert adviezen en
consultatiedocumenten. Als voorbeeld werd de AWBZ genoemd. Maar als
de Kamer een bepaalde sector nog niet heeft vrijgegeven voor markt-
werking, mag de NMa hier dan instappen en een beoordeling van de
marktsituatie maken? Met andere woorden, mag de NMa een niet-markt
in de ogen van de Kamer, beoordelen als markt en de Mededingingswet-
geving hierop toepassen of valt dit buiten haar taakomschrijving?
Vragen en opmerkingen van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de
richtsnoeren van de NMa. Genoemde leden hebben grote zorgen over de
proactieve toezichtsaanpak van de NMa zoals die zich op dit moment
ontwikkelt, en de toekomstige rol die de NMa zou kunnen spelen. Zij
hebben grote vraagtekens bij de rol die de NMa op dit moment speelt,
zoals bijvoorbeeld de recente inval bij de Landelijke Huisartsen
Vereniging. Deze leden verzoeken daarom om de beantwoording van de
schriftelijke vragen van de leden Van Gerven, Leijten en Gesthuizen
hierover in de beantwoording van dit schriftelijk overleg te betrekken.
Hoe beoordeelt de minister de rol van de NMa ten opzichte van samen-
werkende huisartsen? Is de minister van oordeel dat de kwaliteit van
huisartsenzorg erbij gebaat is als huisartsen elkaar als concurrent ervaren
en daarnaar handelen? Zo ja, kan de minister drie belangrijke realistische
voorbeelden geven van uitkomsten van concurrentie tussen huisartsen,
die causaal de gezondheid van de patiënt positief beïnvloeden (niet zijnde
service-aspecten van het huisartsenvak of prijsvorming, maar betrekking
hebbend op kwaliteit die het ziekteproces beïnvloedt)? Is de minister van
oordeel dat huisartsen elkaar economisch dienen te beconcurreren, in de
zin dat zij in beginsel erop uit moeten zijn patiënten van elkaar te werven,
zoals reguliere ondernemingen erop uit zijn uit economische overwe-
gingen klanten van elkaar af te nemen? Zou de minister gelukkig zijn met
deze houding en daarvan per saldo voordelen verwachten voor de
betrokken patiënten en zo ja, welke? Is de minister van mening dat de
NMa voldoende kijkt of de positieve gevolgen van samenwerking
opwegen tegen de mogelijke negatieve effecten voor de mededinging?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 5
De leden van de SP-fractie zien een tegenstelling tussen de opstelling van
de NMa en de Zorgverzekeringswet. Ziet de minister ook tegenstrijdig-
heden? Zo ja, hoe gaat de minister hierop inspelen? Wat vindt de minister
van het voorstel van ActiZ, GGZ Nederland en de Vereniging Gehandicap-
tenzorg Nederland (VGN) om de Mededingingswet buiten de orde te
verklaren bij ketensamenwerkingsovereenkomsten in de zorg? Onder-
schrijft de minister de mening van de Nederlandse Vereniging van
Ziekenhuizen (NVZ) dat inzake de mededingingstoetsing de NMa
zorgverzekeraars coulanter lijkt te behandelen dan zorgverleners? Zo nee,
waarom niet?
De leden van de SP-fractie zien in de richtsnoeren van de NMa een
volgende stap richting marktwerking, een stap die deze leden niet
toejuichen. Is de minister voorstander van marktwerking in de huisart-
senzorg? Deelt de minister de mening van de NMa dat landelijke
afspraken over de kwaliteitsparagraaf van de zorgcontractering te
prefereren zijn boven een lokale invulling? Zo ja, waarom?
De leden van de SP-fractie zijn van mening dat de bemoeienis van de
NMa in de zorg overbodig is. Zij vinden dat de kwaliteitsbewaking van de
zorg in goede handen is van de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de
Nederlandse Zorgautoriteit. Hoe kijkt de minister hier tegenaan? Welke
toegevoegde waarde heeft het toezicht van de NMa?
Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen
van de herziene richtsnoeren voor de zorgsector van de NMa. Naar
aanleiding van dit document en de brief van de minister hebben deze
leden nog enkele vragen en opmerkingen.
Ten eerste ten aanzien van de verdere voortgang van het proces. Voor de
leden van de VVD-fractie is het niet helemaal duidelijk wat de status van
dit document is. Wat deze leden betreft stelt de politiek uiteindelijk de
kaders vast op basis waarvan de NMa en de NZa hun toezichthoudende
functie uitoefenen. Dit document lijkt eerder ter informatie te zijn
toegezonden; welke beslismomenten zijn er voor de Kamer om er
eventuele wijzigingen in aan te brengen?
De minister stelt in haar brief dat er op een later moment een document
komt op basis waarvan lezers zonder een mededingingsachtergrond
eenvoudig kunnen zien wat de consequenties precies zullen zijn. Kan de
minister toezeggen dat op dat moment de Kamer hierover ook geïnfor-
meerd wordt?
De leden van de VVD-fractie hebben zich in het verleden helder uitgelaten
over verticale integratie – het samengaan van de zorgverzekeraar en de
zorgaanbieder –; het is op dit moment niet verstandig om de zorgverze-
keraar en de zorgaanbieder te laten fuseren. Het stelsel is volgens deze
leden juist ingericht om de verzekeraar namens de patiënt de beste zorg
tegen de best mogelijke prijs te laten inkopen. Zodra er sprake is van een
verzekeraar die een eigen belang heeft, ontstaat er op zijn minst de schijn
dat een verzekeraar de verzekerde eerst naar het eigen ziekenhuis stuurt,
zeker zolang er sprake is van vier grote verzekeraars met een markt-
aandeel van 88%. Is het nog mogelijk de richtsnoeren op dit punt aan te
passen?
Dit document is als zienswijze aan andere ministeries toegezonden.
Hierop heeft geen van de ministeries gereageerd. Hoe beoordeelt de
minister dat aangezien er in de langdurige zorg een koppeling is met het
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 6
ministerie van WWI en er in het verleden bij fusies vanuit de ministeries
verschillende geluiden zijn gehoord?
De algemene richtsnoeren gelden voor zowel de intramurale als de
extramurale zorg in de AWBZ. Deze zorg bevindt zich in verschillende
stadia van marktwerking. Instellingen in de sector hebben te maken met
verschillende financieringssystemen zoals de Wet maatschappelijke
ondersteuning (Wmo) en de AWBZ waardoor er verschillende stadia
binnen één organisatie zijn. Zijn deze richtsnoeren hier niet al te algemeen
voor?
De NMa heeft aangegeven dat het terugdraaien van de marktwerking in
de verschillende zorgsectoren feitelijk onmogelijk is. Wat zijn de juridische
implicaties hiervan?
Hoe gaan de richtsnoeren de productafbakening binnen de AWBZ
beoordelen? Dit is volgens de leden van de VVD-fractie heel moeilijk
omdat er geen polis is waar de aanspraken op gebaseerd kunnen worden.
Wat betreft de rolverdeling tussen de NMa en de NZa: de NZa houdt het
recht op het geven van een zienswijze. Recentelijk is er een casus geweest
waar de NZa en de NMa tot verschillende conclusies kwamen. Kan
geconcludeerd worden uit de rolverdeling dat de rol van de NMa in die
gevallen de beslissende is?
Wat betreft de geografische afbakening in de cure is het onduidelijk in
hoeverre de reistijd nu precies wordt meegewogen. Kan de minister
daarop ingaan?
II. REACTIE VAN DE MINISTER
Inleiding
Bijgaand treft u, mede namens de minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (VWS), de antwoorden op vragen van de vaste commissie voor
VWS aan, naar aanleiding van de toezending aan uw Kamer van de
Richtsnoeren voor de zorgsector van de Nederlandse Mededingingsauto-
riteit (NMa) (hierna: de richtsnoeren). Wij hebben antwoorden op de
vragen van de verschillende fracties geclusterd naar de volgende thema’s:
A. Totstandkoming van de richtsnoeren
B. Inhoud van de richtsnoeren
C. Mededinging en publieke belangen
D. Samenwerking in de zorg
E. Taakverdeling tussen toezichthouders
F. Concentratietoezicht
G. Collectieve regeling thuiszorg
H. Zorgverzekeringsmarkt
A. Totstandkoming van de richtsnoeren
De leden van de VVD-fractie vragen naar de status van de richtsnoeren en
welke beslismomenten er nog voor de Kamer zijn om eventuele wijzi-
gingen in de richtsnoeren aan te brengen. Dit tegen de achtergrond dat de
politiek uiteindelijk de kaders vaststelt op basis waarvan de NMa en de
NZa hun toezichthoudende functie uitoefenen, aldus deze leden.
De politiek bepaalt de ruimte die wordt gegeven voor vraaggestuurde
zorg, bijvoorbeeld door de Zorgverzekeringswet, en stelt de spelregels
vast binnen deze gegeven ruimte, bijvoorbeeld door de Mededingingswet
(Mw). De NMa houdt toezicht op naleving van de Mw. Het introduceren
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 7
van vrijheidsgraden door de politiek, en dus ruimte voor vraaggestuurde
zorg, heeft tot gevolg dat de Mw van toepassing is, waardoor de NMa een
rol heeft.
De richtsnoeren bieden partijen in de zorg een handvat om te kunnen
beoordelen wat wel en niet is toegestaan op basis van de Mw. De
richtsnoeren zijn uitvoeringsregels die uitleg geven over de wijze waarop
de NMa in de praktijk het toezicht uitvoert binnen de door de politiek
gestelde kaders.
Vanuit de verantwoordelijkheid van de minister van Economische Zaken
(EZ) voor het algemeen functioneren van de NMa heeft de minister een
afkeuringsrecht voor alle uitvoeringsregels van de NMa. Dit biedt mij de
mogelijkheid om te beoordelen of de richtsnoeren in strijd zijn met het
algemeen belang van een goede taakuitvoering van de NMa. De richt-
snoeren zijn in concept aan mij en de minister van VWS voorgelegd. Ik
ben, in overleg met de minister van VWS, tot het oordeel gekomen dat de
herziene richtsnoeren passen binnen een goede taakuitvoering van de
NMa, waardoor er geen noodzaak was de uitvoeringsregels af te keuren.
Hierna zijn de richtsnoeren door de NMa formeel vastgesteld, waarop
deze zijn gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van de NMa.
Voorts heb ik de richtsnoeren bij brief ter informatie aan uw Kamer
gezonden.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet tevreden is met de
herziening van de richtsnoeren die mede op grond van deze consultatie-
ronde heeft plaatsgevonden en op welke wijze en met welke inzet het
kabinet zijn bijdrage heeft geleverd aan de consultatieronde. Voorts
vragen de leden van de CDA-fractie of en in welke mate de richtsnoeren
de beleidsambities van het kabinet ten aanzien van o.a. ketenzorg
ondersteunen en of er nog onderdelen zijn die naar het oordeel van het
kabinet bijstelling of een nadere herziening behoeven.
De NMa volgt de relevante ontwikkelingen in de zorgsector en inventari-
seert de veel voorkomende mededingingsrechtelijke vragen. Waar zinvol
voegt zij de antwoorden op die vragen en relevante voorbeelden toe aan
de richtsnoeren, waarna zij deze volgens de hierboven beschreven
procedure formeel vaststelt. De richtsnoeren vormen daarmee een
dynamisch document. Het is goed dat de NMa dit document actueel
houdt.
Met de nieuwe versie van de richtsnoeren verwachten wij dat het voor
zorgaanbieders en verzekeraars duidelijker wordt wat wel en niet is
toegestaan ten aanzien van samenwerking op basis van de Mw. De NMa
heeft bij de herziening vele partijen geconsulteerd, zowel uit het veld als
binnen de overheid. Het ministerie van VWS en het ministerie van EZ zijn
in meerdere stadia van de totstandkoming van de nieuwe richtsnoeren
geraadpleegd. Wij hebben onder andere aandacht gevraagd voor het
toevoegen van zoveel mogelijk voor de zorgsector aansprekende
voorbeelden en een praktische toelichting op de verhouding tot en de rol
van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie voor de
Gezondheidszorg (IGZ).
De richtsnoeren gaan (nog) niet in op ontwikkelingen rondom samen-
werking in zorggroepen. De NMa en de NZa hebben zorggroepen,
zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties om input gevraagd ten behoeve
van een consultatiedocument waarin NMa en NZa toelichten op welke
wijze de Mw en de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) van
toepassing zijn op zorggroepen. Daarnaast stellen zij in dit document een
aantal specifieke vragen om te achterhalen waar er nog onduidelijkheden
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 8
zijn. De resultaten van deze consultatie zullen later dit jaar worden
gepubliceerd en worden verwerkt in de richtsnoeren.
Samenwerkingsverbanden kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan
het verbeteren van de kwaliteit en doelmatigheid van zorg. De dynamiek
in samenwerkingsrelaties die we de laatste jaren in de zorg zien, vormt
een onlosmakelijk onderdeel van een stelsel waarin de cliënt steeds meer
centraal komt te staan. De toegenomen ruimte voor ondernemerschap
stimuleert zorgaanbieders om op zoek te gaan naar mogelijkheden om het
alleen, maar ook met elkaar, anders en beter te doen. Ze zoeken samen-
werking met in hun ogen interessante partners, bijvoorbeeld in de vorm
van een fusie of in de vorm van samenwerking op deelgebieden. Vaak
gaat het daarbij om samenwerking tussen verschillende partijen,
bijvoorbeeld om ketenzorg te leveren. Denk hierbij aan thuiszorg voor
patiënten die het ziekenhuis verlaten, of aan samenwerking met fysiothe-
rapeuten en huisartsen om in een buurt een samenhangend pakket aan
zorg aan te kunnen bieden.
Samenwerking in de zorg kan aldus tot betere zorg leiden. Er zijn echter
ook risico’s aan schaalveranderingen en samenwerkingsvormen
verbonden. Daarom stellen we ook grenzen aan samenwerking in de zorg.
Concentratievorming of andere vormen van samenwerking kunnen ertoe
leiden dat cliënten in de zorg geen reële keuzemogelijkheden meer
hebben en dus niet meer kunnen kiezen voor die zorgverlener die naar
hun oordeel de beste zorg biedt. Zorgverleners hebben dan niet langer de
prikkel om naar hun cliënten te luisteren, wat een risico vormt voor de
kwaliteit en de doelmatigheid van de zorg. Daarmee wordt op termijn ook
de betaalbaarheid onder druk gezet. Daarom zijn fusies die leiden tot een
machtspositie en de concurrentie in belangrijke mate belemmeren niet
toegestaan, tenzij er duidelijke voordelen voor cliënten tegenover staan.
Ook bij andere vormen van samenwerking zijn er grenzen. Zo zijn
marktverdelingsafspraken, zoals afspraken om niet in elkaars werkgebied
actief te worden en cliënten die uit het «verkeerde» gebied komen te
weigeren, vrijwel altijd verboden. Dergelijke afspraken verkleinen de
keuzevrijheid van cliënten en leiden niet tot een betere uitkomst voor
cliënten.
De Mw ziet er op toe dat de ruimte voor vraaggestuurde zorg niet
onterecht wordt ingeperkt, en biedt tegelijkertijd veel mogelijkheden voor
allerlei vormen van samenwerking die bijdragen aan het verbeteren van
de zorg. De Mw en de richtsnoeren van de NMa ondersteunen derhalve
onze beleidsambities ten aanzien van de zorg.
De leden van de VVD-fractie vragen of de minister kan toezeggen de
Kamer te informeren zodra het in haar brief aangehaalde document geënt
op lezers zonder een mededingingsachtergrond beschikbaar wordt.
De NMa heeft aangekondigd om naast de richtsnoeren, welke een
juridische nauwkeurigheid en volledigheid vergen die soms de
leesbaarheid voor partijen in het zorgveld bemoeilijkt, ook een beknoptere
brochure uit te brengen. De minister van EZ zal uw Kamer informeren op
het moment dat dit document beschikbaar is.
Voorts vragen de leden van de VVD-fractie een oordeel over het uitblijven
van een reactie van het ministerie van WWI op de richtsnoeren, gezien het
feit dat in de langdurige zorg een koppeling is met dit ministerie en in het
verleden bij fusies vanuit de ministeries verschillende geluiden zijn
gehoord.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 9
Verleners van langdurige zorg werken steeds vaker samen met woning-
corporaties. Derhalve schenkt de NMa in de geactualiseerde richtsnoeren
uitdrukkelijk aandacht aan samenwerking tussen zorgaanbieders en
woningcorporaties (zgn. woonzorgcombinaties). Daarbij wordt door de
NMa uitsluitend ingegaan op de mededingingsrechtelijke aspecten van
woonzorgcombinaties. Dit aspect staat los van het waarborgen van het
behoud van het maatschappelijk vermogen van toegelaten instellingen,
welke onder de beleidsverantwoordelijkheid van de minister voor Wonen,
Wijken en Integratie (WWI) valt.
Beide aspecten zijn van belang, zoals ook in het verleden aan de orde is
gekomen bij bijvoorbeeld de voorgenomen fusie tussen twee aanbieders
van langdurige zorg (Philadelphia en Evean) en een woningcorporatie
(Woonzorg). Deze partijen waren voornemens om een personele unie te
vormen, waarna overgegaan zou worden tot een bestuurlijke fusie en de
uiteindelijke vorming van één rechtspersoon (juridische fusie). De NMa
heeft zich uitsluitend gebogen over de vorming van de personele unie,
omdat de daarmee gepaard gaande verandering van zeggenschap binnen
de betrokken ondernemingen reeds een concentratie in de zin van de Mw
vormde. De NMa heeft de vorming van de personele unie goedgekeurd,
maar pas na goedkeuring daarvan door de minister voor WWI en nadat
partijen een wijziging van hun oorspronkelijke plannen hadden ingediend
om tegemoet te komen aan door de NMa gesignaleerde mededingingsbe-
zwaren. Gegeven deze eerdere toetsing van de personele unie door de
NMa, waren eventuele vervolgstappen (bestuurlijke en juridische fusie)
vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt niet langer relevant. De minister
voor WWI heeft de daaropvolgende bestuurlijke en juridische fusie echter
afgekeurd, onder meer omdat de waarborging van het behoud van het
maatschappelijk vermogen van de toegelaten instelling in het geding zou
komen.1
B. Inhoud van de richtsnoeren
Refererend aan uitspraken van de NMa dat zij ook «niet-markten»
beoordeelt op de vraag of vrijheid van keuze en vrijheid van ondernemen
niet bemoeilijkt wordt en actief op zoek gaat naar de onvolledige ruimte
van concurrentie en daarop toezicht houdt en adviezen en consultatiedo-
cumenten publiceert (o.a. AWBZ), vragen de leden van de PvdA-fractie of
het binnen de taakomschrijving van de NMa valt om een sector te
beoordelen als markt en de Mededingingswet hierop toe te passen
wanneer de Kamer de betreffende sector nog niet heeft vrijgegeven voor
marktwerking. Ook de leden van de CDA-fractie vragen of niet allereerst
het kabinet een verantwoordelijkheid heeft in het scheppen van
helderheid hierover, aangezien juist het kabinet de doelen en grenzen van
het beleid bepaalt, en dus ook het ondernemerschap in de zorg. De leden
van de CDA-fractie zijn daarbij beducht voor een doorwerking van de
eigenstandige visie van de NMa zelf op marktwerking in de zorg, waar
naar het oordeel van deze leden alleen het kabinetsbeleid voor de NMa
leidend kan zijn, en vragen derhalve of het kabinet hun zorg weg kan
nemen en ook wil bijdragen aan de noodzakelijke helderheid voor
zorgaanbieders.
Het is de verantwoordelijkheid van het kabinet om, samen met de Kamer,
doelen en grenzen van beleid en regelgeving te bepalen, en die van de
toezichthouders om binnen die kaders toezicht te houden op naleving van
de regels. Met andere woorden, de NMa heeft pas een taak als er sprake is
van mededinging. Besluitvorming omtrent de ruimte voor mededinging is
een taak van de politiek.
1
Brief van 30 juni 2008, kamerstuk 31 420,
nr. 8.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 10
Zodra door kabinet en Kamer besloten wordt aanbodsturing in de zorg
(gedeeltelijk) te vervangen door vraagsturing, krijgen aanbieders meer
vrijheden en verantwoordelijkheden, en daarmee een bepaalde mate van
ruimte om zich van elkaar te kunnen onderscheiden. Als cliënten zelf
kunnen kiezen voor een zorgaanbieder, hebben zorgaanbieders ook een
prikkel om, met behulp van die vrijheden, hun zorgaanbod zo in te richten
dat hun zorg het beste aansluit bij de wensen van cliënten. Dat kunnen zij
doen door zich bijvoorbeeld te onderscheiden op kwaliteit of serviceni-
veaus, en in bepaalde deelsectoren op de prijs, wat onder andere mogelijk
is in het B-segment voor medisch-specialistische zorg.
In de zorgsector zal altijd sprake zijn van specifieke regulering om
publieke belangen te borgen. Maar in al die gevallen waar wet- en
regelgeving vormen van vraagsturing mogelijk maakt, beschermt de NMa
met haar toezicht op de naleving van de Mw de onderlinge onderschei-
dingsruimte. Dat betekent dat ook in sectoren waarin beperkt ruimte is
voor concurrentie, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van tariefregu-
lering, de NMa een rol heeft om erop toe te zien dat partijen de door
kabinet en Kamer gecreëerde ruimte niet onnodig verminderen. De NMa
heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat ook ontluikende concurrentie
beschermd dient te worden. Iedere deelsector kan aldus rekenen op
maatwerk, afhankelijk van het door kabinet en Kamer gekozen evenwicht
tussen marktwerking en regulering. Binnen dat kader bepaalt de NMa op
basis van haar risicoanalyse aan welke sectoren zij (extra) aandacht
besteedt, en maakt zij in individuele gevallen een afweging over de wijze
waarop zij optreedt bij gebleken overtredingen van de Mw. Maatwerk in
de uitvoering van toezicht wil echter niet zeggen dat sprake is van een van
een eigenstandige visie van de NMa op marktwerking in de zorg. Het
betreft hier de uitvoering door de NMa van haar wettelijke toezichtstaak.
De leden van de VVD vragen wat de juridische implicaties zijn bij de
opmerking van de NMa dat het terugdraaien van de marktwerking in de
verschillende zorgsectoren feitelijk onmogelijk is.
Zoals hierboven aangegeven, is het de verantwoordelijkheid van het
kabinet om samen met de Kamer doelen en grenzen van beleid en
regelgeving te bepalen. In lijn daarmee heeft de NMa tijdens de
hoorzitting opgemerkt dat het al dan niet «terugdraaien» van de geleide-
lijke introductie van vormen van (gereguleerde) marktwerking in
verschillende deelsectoren in de zorg vanzelfsprekend een politieke zaak
is. Desgevraagd heeft de NMa daaraan toegevoegd dat het, gezien de vele
omvangrijke beleidswijzigingen in de zorg, praktisch onmogelijk, althans
niet heel eenvoudig lijkt om de ingezette stelselwijziging «terug te
draaien».
De juridische implicatie hiervan is dat, evenals bij de keuze voor aanzien-
lijke beleidswijzigingen op andere gebieden, een dergelijk kabinetsbesluit
omvangrijke wijzigingen van wet- en regelgeving zal omvatten.
De leden van de CDA-fractie vragen waarom in de richtsnoeren geen
onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende deelsectoren in de
zorg, terwijl de mate van regulering en de aard van het ondernemerschap
of de mededinging per deelsector veel verschillen. Zij vragen het kabinet
aan te geven op welke wijze dat onderscheid doorwerkt in de beoordeling
door de NMa. De leden van de CDA-fractie vragen daarbij voorts in
hoeverre de NMa kritischer is op bijvoorbeeld samenwerking tussen
ziekenhuizen ten opzichte van samenwerking tussen gehandicaptenzorg-
instellingen, waarin naar het oordeel van de leden eigenlijk niet van
marktwerking sprake is, en of dit voldoende eenduidig en transparant is
voor de aanbieders.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 11
Zoals hierboven ook is aangegeven, heeft de NMa ook in sectoren waarin
er beperkte ruimte voor mededinging is, een belangrijke rol om erop toe
te zien dat partijen niet de middels wet- en regelgeving gecreëerde ruimte
om zich van elkaar te onderscheiden onnodig beperken.
De NMa beoordeelt iedere zaak binnen de eigen context. Dat geldt voor
alle sectoren en zeker ook voor zorgsectoren. Zorgsectoren hebben
specifieke kenmerken, waarmee ze zich onderscheiden van andere
sectoren. Denk hierbij onder meer aan de bijzondere relatie tussen
cliënten en hun zorgverleners en aan de zorgvuldig vormgegeven
solidariteit in ons verzekeringsstelsel. Het binnen de eigen context
beoordelen wil zeggen dat de NMa onder meer beziet welke wet- en
regelgeving van toepassing is op de betreffende sector en welke invloed
zorgspecifieke kenmerken hebben, zoals de mate van transparantie van de
kwaliteit van zorg, de reisbereidheid van cliënten en de mogelijkheden
van toetreding van nieuwe zorgaanbieders.1 Hoeveel ruimte hebben
partijen om zich te kunnen onderscheiden en in hoeverre wordt die ruimte
beperkt door samenwerkingsverbanden en fusies? Voor het oordeel van
de NMa daarover in concrete gevallen maakt het een verschil op welke
factoren aanbieders zich van elkaar kunnen onderscheiden (kwaliteit, prijs
e.d.). Er wordt bekeken op welke factor of factoren de samenwerking
tussen aanbieders een effect kan hebben. Indien de geldende wet- en
regelgeving geen enkele vrijheid voor aanbieders toelaat om zich van
elkaar te onderscheiden en daarmee cliënten aan te trekken, dan kan een
samenwerkingsverband of fusie daar ook geen nadelige effecten op
hebben en zal het samenwerkingsverband niet onder het toepassings-
bereik van de Mw vallen.
Ook in de gehandicaptenzorg, welke onder de AWBZ valt, heeft de NMa
eerder geconcludeerd dat zorgaanbieders als gevolg van het stelsel van
wet- en regelgeving een (beperkte) ruimte hebben om zich van elkaar te
onderscheiden ten gunste van de cliënten. Ook in de gehandicaptenzorg is
er derhalve sprake van enige mate van concurrentie, alleen op andere
factoren dan in bijvoorbeeld de sector voor medisch-specialistische zorg.
Daardoor heeft de NMa verschillende fusies in de gehandicaptenzorg
kunnen beoordelen en kon worden getoetst of de fusies nadelen voor de
cliënten zouden kunnen hebben. Dit heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat
een fusie in Noord-Limburg tussen aanbieders van gehandicaptenzorg
werd goedgekeurd op voorwaarde dat er een nieuwe toetreder werd
toegelaten. Hierdoor werd gewaarborgd dat cliënten ook na de fusie over
alternatieve aanbieders bleven beschikken.
In de geactualiseerde richtsnoeren wordt voorts aandacht besteed aan
voorbeelden uit zoveel mogelijk deelsectoren. Onder andere uit deze
voorbeelden blijken verschillen tussen deelsectoren, bijvoorbeeld de
verschillen die bestaan bij de geografische marktafbakening van medisch-
specialistische zorg en langdurige zorg. Daarnaast heeft de NMa een
aantal visiedocumenten uitgebracht, waarin wordt toegelicht dat
respectievelijk in de ziekenhuissector en in de zorgsectoren die onder de
AWBZ vallen ruimte is voor mededinging tussen aanbieders, waarop de
NMa vanuit haar wettelijke taakopdracht moet toezien. Deze visiedocu-
menten zijn op de website van de NMa terug te vinden. Voor andere
deelsectoren is in eerdere, openbare besluiten uiteengezet hoe de
doorgevoerde (gedeeltelijke) vraagsturing van invloed is op de toepasse-
lijkheid van de Mw op die deelsector. Hierbij kan onder meer worden
1
Zie onder meer de «Beleidsregels van de gedacht aan de GGZ. Ook deze besluiten zijn terug te vinden op de
Minister van Economische Zaken van website van de NMa. Om de transparantie op dit punt verder te vergroten
1 september 2009, nr. WJZ/9145416, houdende
heeft de NMa aangegeven voornemens te zijn om bij de eerstvolgende
bijzondere regels betreffende concentraties
van zorgaanbieders», Staatscourant 2009 nr. update van de richtsnoeren, hier nog uitdrukkelijk aandacht aan te
13389. besteden.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 12
De leden van de VVD-fractie constateren dat de richtsnoeren gelden voor
zowel intramurale als extramurale AWBZ zorg. De leden vragen zich
daarbij af of de richtsnoeren niet te algemeen zijn, gezien het feit dat
instellingen te maken kunnen hebben met verschillende financieringssys-
temen (Wmo, AWBZ) waardoor binnen één organisatie sprake kan zijn van
verschillende stadia van marktwerking. Voorts vragen deze leden hoe de
richtsnoeren de productafbakening binnen de AWBZ gaan beoordelen. Dit
is volgens de leden van de VVD-fractie heel moeilijk omdat er geen polis
is waar de aanspraken op gebaseerd kunnen worden.
In aanvulling op het antwoord op de vorige vraag, kan hierover het
volgende worden opgemerkt. De NMa heeft in meerdere zaken te maken
gehad met aanbieders die actief zijn op verschillende deelmarkten in de
zorg, welke onderhevig zijn aan verschillende wet- en regelgeving en
financieringssystemen. Daar houdt de NMa ook rekening mee. Het
toezicht van de NMa ziet immers op de activiteiten van de aanbieders. Dit
houdt in dat per geval bekeken wordt op welke activiteiten de betreffende
samenwerking of fusie ziet. Vervolgens wordt per activiteit de specifieke
context meegewogen in de beoordeling, waarbij verschillen in finan-
ciering en wet- en regelgeving relevant kunnen zijn, bijvoorbeeld voor het
beoordelen van toetredingsdrempels.
Productmarktafbakening is een manier om inzichtelijk te maken welke
producten met elkaar concurreren. Het al dan niet bestaan van een polis
waar aanspraken op gebaseerd kunnen worden is hierbij niet van belang.
Bij de afbakening van de productmarkt wordt in de verschillende
zorgsectoren met name gekeken naar de mogelijkheden van zogenaamde
«aanbodsubstitutie». Hierbij wordt onder andere gekeken naar de
mogelijkheden van een aanbieder die een bepaalde behandeling of soort
zorg levert, om ook een andere behandeling of soort zorg te gaan leveren.
Indien de aanbieder van de ene soort zorg op korte termijn en zonder
aanzienlijke bijkomende kosten of risico’s de andere soort zorg kan gaan
aanbieden, dan behoren die producten tot dezelfde productmarkt. Een
voorbeeld hiervan is persoonlijke verzorging enerzijds en persoonlijke
verpleging anderzijds. Beide vormen van zorg behoren tot één product-
markt, omdat de tijd en de investeringen die een zorgaanbieder nodig
heeft om bijvoorbeeld naast persoonlijke verzorging ook persoonlijke
verpleging aan te gaan bieden, of vice versa, beperkt zijn.
Voorbeelden van producten in de AWBZ-sector die door de NMa als
afzonderlijke productmarkt zijn afgebakend zijn onder andere: huishoude-
lijke hulp; persoonlijke verzorging en verpleging; verzorgingshuiszorg;
verpleeghuiszorg; klinische GGZ voor volwassenen en ouderen; klinische
GGZ voor kinderen en jeugdigen; niet-klinische GGZ voor volwassenen en
ouderen; niet-klinische GGZ voor kinderen en jeugdigen.
Voor de leden van de VVD-fractie is het voorts onduidelijk in hoeverre de
reistijd wordt meegewogen in de geografische afbakening in de cure en
vragen hierop nader in te gaan.
Bij de melding van een voorgenomen concentratie onderzoekt de NMa of
die concentratie zal leiden tot een significante belemmering van de
mededinging. Van belang hierbij is de vraag of de prikkel voor gefuseerde
ondernemingen om goede kwaliteit tegen een gunstige prijs te leveren in
belangrijke mate afneemt. Heeft een patiënt nog voldoende keuzemoge-
lijkheden? Kan een patiënt bijvoorbeeld na een fusie tussen twee
ziekenhuizen nog uitwijken naar een ander ziekenhuis als de kwaliteit van
het fusieziekenhuis hem niet meer bevalt?
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 13
Omdat patiënten bij hun keuze voor een bepaald ziekenhuis reistijd in de
meeste gevallen een rol laten spelen, onderzoekt de NMa de reistijden
naar de dichtstbijzijnde alternatieven voor inwoners uit de verzorgingsge-
bieden van de fusieziekenhuizen. Deze reistijden worden vervolgens
vergeleken met de reistijden naar de verschillende locaties van de
fusieziekenhuizen. Als alternatieve ziekenhuizen dichtbij liggen, zal de
NMa concluderen dat er voldoende alternatieven beschikbaar zijn om
ziekenhuizen te blijven prikkelen goede kwaliteit tegen een zo gunstig
mogelijke prijs te leveren. Als voor een belangrijk deel van de inwoners
van de verzorgingsgebieden echter geldt dat de reistijd naar alternatieve
ziekenhuizen langer is dan de reistijd naar de beide fusieziekenhuizen, dan
kan dit een belangrijke aanwijzing zijn voor de NMa dat deze ziekenhuizen
na de fusie mogelijk niet meer voldoende prikkels hebben om zich te
onderscheiden.
Overigens zijn meerdere aspecten van invloed op de vraag of er na de
fusie nog sprake is van voldoende concurrentie, zoals onder meer de
capaciteit, bezetting en groeimogelijkheden van de alternatieve zieken-
huizen in vergelijking met het fusieziekenhuis, de mogelijkheden voor
toetreding van nieuwe aanbieders, de transparantie van kwaliteit van zorg
en de mate waarin zorgverzekeraars invloed hebben op het keuzegedrag
van patiënten. Zie bijvoorbeeld ook de Beleidsregel van de minister van
EZ houdende bijzondere regels betreffende concentraties van zorgaan-
bieders.1.
De leden van de CDA-fractie missen in de richtsnoeren een beschouwing
over nieuwe vormen van samenwerking, zoals de coöperatie en
specialisten-bv’s. Meer helderheid hierover van de zijde van de NMa zou
naar het oordeel van deze leden zorgaanbieders kunnen helpen bij het
kiezen voor dergelijke alternatieve samenwerkingsvormen in plaats van
een fusie.
De Mw is onverkort van toepassing op coöperaties en bv’s in de zorg.
Voor het te hanteren beoordelingskader is daarbij de vraag relevant of er
sprake is van een situatie waarin zorgaanbieders hun zelfstandigheid
opheffen en samen één economische eenheid vormen, of niet. Dit
onderscheid is relevant omdat het samengaan van ondernemingen in een
economische eenheid onder het fusietoezicht valt, terwijl samenwerking
tussen zelfstandige ondernemingen wordt getoetst aan het kartelverbod
van de Mw.
In de beoordeling of er sprake is van samenwerking tussen zelfstandige
ondernemingen of van de vorming van een economische eenheid is de
cruciale vraag of zorgaanbieders afzonderlijk al dan niet hun zeggenschap
behouden over strategische en commerciële besluiten. Binnen welke
rechtsvorm wordt samengewerkt of gefuseerd is daarbij niet van belang.
Als meerdere zorgaanbieder tezamen bijvoorbeeld een coöperatieve
vereniging oprichten en/of daar lid van worden, zullen zij in het algemeen
zelf ook zelfstandige ondernemers blijven. Voor besluiten die worden
genomen binnen een coöperatieve vereniging waarvan de leden
zelfstandige ondernemers zijn, is het karteltoezicht van toepassing. Als
meerdere zorgaanbieders samen één onderneming willen vormen en de
betrokken omzetten de voor de zorgsector verlaagde omzetdrempels
overschrijden, dan zijn zij verplicht de NMa dit samengaan vooraf te laten
toetsen onder het fusietoezicht.
De gekozen juridische vorm is evenmin relevant voor de beoordeling van
de gevolgen voor de mededinging. Zo moet in het geval van een
coöperatieve vereniging (voor zover die niet als één onderneming valt aan
1
Staatscourant, nr. 13389, 9 september 2009 te merken) worden bekeken of afspraken die binnen de coöperatie worden
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 14
gemaakt niet de onderlinge concurrentie tussen de aangesloten zorgaan-
bieders beperken waardoor de prikkels om zich van elkaar te onder-
scheiden voor hen wordt weggenomen. Het verschil is dat bij een fusie de
mededingingsrisico’s vooraf door de NMa worden getoetst en besluiten
van of afspraken binnen bovengenoemde coöperatieve vereniging niet.
Deze zijn aan ex post toezicht onderworpen. Maar in beide gevallen dient
in de concrete casus te worden beoordeeld of er sprake is van mededin-
gingsbeperkingen en wat de gevolgen voor cliënten zijn.
In de herziene richtsnoeren wordt hier nader op ingegaan en wordt ook
expliciet aandacht besteed aan verschillende verschijningsvormen van
samenwerking tussen zorgaanbieders, waaronder coöperatieve vereni-
gingen en maatschappen (zie paragraaf 6.3.1).
De leden van de PvdA-fractie vragen naar de beoordeling van de NMa ten
aanzien van de situatie waarin artsen in een samenwerkingsverband
(zorggroep) een groot gedeelte van apothekerstaken overnemen doordat
ze herhaalrecepten van medicijnen voor chronische patiënten zelf
afhandelen en afleveren. Daardoor wordt de beroepenscheiding tussen
voorschrijven en afleveren van geneesmiddelen verbroken en zou
belangrijke apothekerszorg zoals afstemming van het herhaalgenees-
middel met andere medicijnen van de betreffende patiënt daardoor
volgens deze leden achterwege blijven, wat gevolgen zou kunnen hebben
voor de medicatieveiligheid. Voorts vragen zij of de NMa en de minister
dit in de geschetste situatie zouden toestaan of verbieden
De richtsnoeren geven uitleg over de wijze waarop de NMa in de praktijk
haar toezicht op grond van de Mw (en een aantal mededingingsbepa-
lingen uit het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie)
uitvoert. Deze richtsnoeren kunnen specifieke wettelijke bepalingen over
de beroepenscheiding en de belangenverstrengeling tussen arts en
apotheekhoudende niet opzij zetten. Zo is de terhandstelling van
geneesmiddelen die alleen op recept verkrijgbaar zijn (ook als het gaat om
herhaalrecepten voor chronische patiënten) een wettelijk voorbehouden
handeling van apotheekhoudenden. De casus waarin een samenwerkings-
verband deze taken van een apotheker zou overnemen kan zich dan ook
niet voordoen. Het ter hand stellen van receptgeneesmiddelen mag op
basis van de Geneesmiddelenwet alleen plaatsvinden door of onder
directe verantwoordelijkheid van een apotheekhoudende.
Wel kan het voorkomen dat een huisarts – of een samenwerkingsverband
van huisartsen – een financieel belang heeft in een zorgaanbieder, zoals
een apotheekhoudende. De NZa onderzoekt momenteel de risico’s van
belangenverstrengeling in doorverwijsrelaties bij dergelijke constructies.
De leden van de SP-fractie vragen naar onze mening over het voorstel van
Actiz, GGZ Nederland en VGN om de Mededingingswet buiten de orde te
verklaren bij ketensamenwerkingsovereenkomsten in de zorg. Deze
organisaties pleiten voor een «veilige haven» in de vorm van een
groepsvrijstelling voor ketensamenwerkingsovereenkomsten, waarvan
ook de leden van de CDA-fractie vragen of dit door het kabinet passend en
gewenst wordt acht.
Voor het antwoord op deze vraag van de leden van de SP-fractie verwijzen
wij graag naar de antwoorden op eerdere vragen van de leden Van
Gerven, Leijten en Gesthuizen.1
1
Tweede Kamer, 2009–2010, Aanhangsel
2562.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 012, nr. 9 15
C. Mededinging en publieke belangen
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet aan de NMa en aan
zorgaanbieders voldoende helderheid geeft over wat verstaan moet
worden onder kwaliteit, bereikbaarheid, doelmatigheid en betaalbaarheid
aangezien deze publieke belangen reden kunnen zijn om een samen-
werking die de mededinging beperkt toe te staan. Voorts vragen zij of dat
van het kabinet geen nadere duiding en beschrijving vraagt van deze
publieke belangen en de beoordelingscriteria die daarbij horen, dit om te
voorkomen dat de NMa en de overige toezichthouders zelf hierin keuzes
moeten maken. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen naar het
standpunt en de stappen van het kabinet op dit punt, mede naar
aanleiding van het pleidooi van de NMa dat er eenduidige en toetsbare
criteria voor de kwaliteit nodig zijn. Voorts vragen deze leden naar de
prioriteitsstelling die de NMa hanteert bij de afweging tussen kwaliteit van
de zorg en de efficiency van de zorg en hoe de NMa deze criteria ten
opzichte van elkaar waardeert.
Positieve effecten van een samenwerkingsafspraak kunnen opwegen
tegen het nadeel van de eventuele beperking van de mededinging. Dit is
bijvoorbeeld het geval bij samenwerkingsverbanden die noodzakelijk zijn
om (zuiver) de kwaliteit van zorg te dienen, de continuïteit van zorg te
garanderen of de doelmatigheid van zorg te verbeteren, goed zijn voor
cliënten en voldoende keuzemogelijkheden overlaten. Deze afspraken zijn
gewenst en derhalve geoorloofd onder de Mw. De NMa houdt bij haar
optreden in de zorg dus rekening met de publieke belangen. De afweging
in individuele gevallen of de voordelen van een bepaalde samenwerkings-
afspraak opwegen tegen de nadelen van een eventuele beperking van de
mededinging kan de NMa uitsluitend maken aan de hand van de
omstandigheden van dat specifieke geval, mede op basis van zienswijzen
van de IGZ en de NZa.
Een goed voorbeeld hiervan is het zogenoemde efficiëntieverweer bij de
beoordeling van fusies. Partijen kunnen zich beroepen op voordelen die
de fusie met zich brengt, die groter zijn dan de nadelen die ontstaan als
gevolg van vermindering van de onderlinge concurrentie. Een dergelijk
efficiëntieverweer in de zorg ziet niet alleen op het publieke belang
betaalbaarheid (bijvoorbeeld kostenreductie als gevolg van een
verhoogde efficiëntie en schaalvoordelen), maar ook vaak op de publieke
belangen kwaliteit en toegankelijkheid.
Een dergelijke situatie deed zich voor bij de fusie tussen ziekenhuis
Walcheren en de Oosterscheldeziekenhuizen. De NMa concludeerde in
deze zaak dat na de fusie in de regio Midden-Zeeland keuzemogelijkheden
voor patiënten zeer sterk verminderen en dat het gefuseerde ziekenhuis
een (bijna) monopoliepositie zal krijgen. Normaal gesproken zou dit voor
de NMa reden zijn om de fusie af te keuren. Maar omdat een fusie
noodzakelijk was om de continuïteit van de ziekenhuiszorg in deze regio te
garanderen, heeft de NMa de fusie toch goedgekeurd. De NMa heeft in
haar oordeel bij deze fusie de zienswijzen van de IGZ en de NZa zwaar
laten meewegen. Aan de goedkeuring van de fusie zij