Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2007–2008
31 415 DNA-onderzoek in strafzaken
Nr. 1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2008
Hierbij bied ik u de nota «Verkenning DNA-onderzoek in strafzaken vanuit
wetgevings- en juridisch perspectief» aan. In deze nota ga ik in op de
waarde van DNA-onderzoek ten behoeve van de opsporing en vervolging
van strafbare feiten en de grenzen die aan het gebruik daarvan zijn
gesteld. De nota bevat voorstellen om het gebruik van DNA-onderzoek
verder te optimaliseren, hetzij binnen de huidige DNA-regelgeving, hetzij
door aanpassing van deze regelgeving. De voorstellen die binnen de
huidige DNA-regelgeving kunnen worden gerealiseerd, betreffen een
verruiming van de toepassing van het criterium van het belang van het
onderzoek, het loslaten van de gefaseerde invoering van de Wet
DNA-onderzoek bij veroordeelden voor veelplegers met ingang van
1 januari 2009 en een ruimere toepassing van het instrument «groot-
schalig DNA-onderzoek». Daarnaast stel ik voor te bevorderen dat in het
Wetboek van Strafvordering een grondslag wordt gecreëerd voor de
toepassing van DNA-verwantschapsonderzoek, DNA-onderzoek op
verzoek van het slachtoffer en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneem-
bare persoonskenmerken van een ongeïdentificeerd overleden slachtoffer.
Ook stel ik voor dat in dat wetboek de bevoegdheid wordt neergelegd
voor de hulpofficier van justitie tot het verrichten van DNA-onderzoek aan
celmateriaal van onbekende verdachten. Tot slot schetst de nota de
overige ontwikkelingen en aandachtspunten ten aanzien van DNA-onder-
zoek die vanuit een juridisch oogpunt van belang zijn.
Over de nota zijn desgevraagd adviezen ontvangen van de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de rechtspraak, het College
bescherming persoonsgegevens, de Nederlandse Orde van Advocaten,
het College van procureurs-generaal en de Raad van Hoofdcommissa-
rissen. Met deze adviezen, die zijn bijgevoegd1, is zo veel mogelijk reke-
ning gehouden.
De minister van Justitie,
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- E. M. H. Hirsch Ballin
tiepunt Tweede Kamer.
KST117291
0708tkkst31415-1
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2008 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 1
Verkenning DNA-onderzoek in strafzaken vanuit wetgevings- en
juridisch perspectief
Inhoud
1. Inleiding 3
2. Waarde van DNA onderzoek en de grenzen aan het
gebruik daarvan 4
2.1. Waarde van DNA-onderzoek 4
2.2. Grenzen aan het gebruik van DNA-onderzoek 7
3. Korte inhoud van de paragrafen 4 tot en met 6 8
4. Verdere optimalisering van het dna onderzoek in
strafzaken binnen de huidige DNA wetgeving 9
4.1. Verruiming van de toepassing van het criterium van het
onderzoeksbelang 9
4.2. Loslaten van de gefaseerde invoering van de wet
DNA-onderzoek bij veroordeelden voor veelplegers 15
4.3. Verruiming van de toepassing van grootschalig dna-
onderzoek 16
5. Verdere optimalisering van het DNA onderzoek in
strafzaken door aanpassing van de huidige DNA
wetgeving 20
5.1. Introductie van DNA-verwantschapsonderzoek in
strafzaken 20
5.2. Introductie van DNA-onderzoek op verzoek van het
slachtoffer 26
5.3. introductie van de DNA-onderzoek naar uiterlijk waar-
neembare persoonskenmerken van een onbekend
overleden slachtoffer 29
5.4. Toekenning van de bevoegdheid aan de hulpofficier van
justitie tot het verrichten van DNA-onderzoek aan
celmateriaal van onbekende verdachten 30
6. Overige ontwikkelingen en aandachtspunten 32
6.1. Verruiming van de grens van toepassing van DNA-
onderzoek? 32
6.2. DNA-onderzoek bij mensen die op niet-natuurlijke wijze
zijn overleden 35
6.3. Internationale ontwikkelingen ten aanzien van DNA-
onderzoek 37
6.4. Technologische ontwikkelingen op het terrein van
DNA-onderzoek 38
7. Samenvatting 39
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 2
Verkenning DNA-onderzoek in strafzaken vanuit wetgevings- en
juridisch perspectief
1. INLEIDING
Het DNA-onderzoek ten behoeve van de opsporing en vervolging maakt
een stormachtige ontwikkeling door. Twee belangrijke ontwikkelingen in
de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben aan de basis gestaan van de
toepassing van DNA-onderzoek in het strafrecht1. In 1984 ontdekte een
Britse wetenschapper dat bepaalde delen van het menselijk DNA zo sterk
verschillen van persoon tot persoon dat deze zogenaamde «hypervaria-
bele gebieden» een nagenoeg persoonsspecifiek DNA-patroon opleveren.
In datzelfde jaar ontwikkelde een Amerikaanse wetenschapper een tech-
niek (Polymerase Chain Reaction techniek) die het mogelijk maakte kleine
stukjes DNA selectief en specifiek miljoenen malen te vermeerderen. Dit is
van groot belang voor het forensisch onderzoek omdat de hoeveelheid
achtergelaten DNA-materiaal op de plaats delict vaak zeer gering is.
Het gebruik van DNA-onderzoek voor de opsporing en vervolging van
strafbare feiten is sinds 1 september 1994 wettelijk mogelijk2 en is
daarmee te beschouwen als een relatief nieuw instrument. De eerste
DNA-wet was beperkt van opzet en voorzag erin om alleen bij de zwaar-
dere misdrijven en indien dat dringend noodzakelijk was voor het aan de
dag brengen van de waarheid tegen de wil van de verdachte celmateriaal
voor DNA-onderzoek af te nemen. Voor die tijd vond op geringe schaal
DNA-onderzoek bij verdachten plaats, alleen op vrijwillige basis.
Sinds 1994 heeft zich een aantal technologische ontwikkelingen3 voorge-
daan die mede tot gevolg hebben gehad dat de juridische mogelijkheden
om DNA-onderzoek ten behoeve van de waarheidsvinding in te zetten in
een zeer kort tijdsbestek aanzienlijk zijn verruimd. Sinds 1 november 2001
voorziet het Wetboek van Strafvordering (Sv) erin dat vaker en in meer
gevallen dan voorheen celmateriaal van verdachten kan worden afgeno-
men4. In geval van een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten, kan bij een verdachte tegen wie ernstige bezwa-
ren bestaan onder dwang celmateriaal ten behoeve van een DNA-onder-
zoek worden afgenomen, indien dat in het belang van het onderzoek is.
De DNA-profielen die uit het celmateriaal worden bepaald, worden vervol-
gens in de DNA-databank verwerkt. Sinds 1 september 2003 zijn de wette-
lijke mogelijkheden om in het voorbereidend onderzoek DNA-onderzoek
1
toe te passen, verder verruimd5. In het Wetboek van Strafvordering is met
Zie het voorwoord uit De Essenties van
forensisch DNA-onderzoek, NFI, september ingang van die datum een nieuw type DNA-onderzoek geïntroduceerd,
2006, blz. 4. namelijk onderzoek dat gericht is op het vaststellen van uiterlijk waar-
2
Wet van 8 november 1993 tot aanvulling van neembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte. Het Wetboek
het Wetboek van Strafvordering met voorzie-
van Strafvordering richtte zich voor 1 september 2003 alleen maar op het
ningen ten behoeve van DNA-onderzoek in
strafzaken (Stb. 1993, 596). klassieke type DNA-onderzoek. Dat is onderzoek aan celmateriaal met het
3
Zo zorgde de techniek ervoor dat wangslijm- doel DNA-profielen te vergelijken.
vlies in plaats van bloed voldoende is voor het Tot slot voorziet de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden die op
bepalen van een betrouwbaar DNA-profiel.
1 februari 2005 in werking is getreden, in de verplichting dat bij iedere
Het afnemen van wangslijmvlies brengt een
minder vergaande inbreuk op de lichamelijke veroordeelde wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is
integriteit mee dan bloedafname, om welke toegelaten die onder de reikwijdte van die wet valt, celmateriaal voor
reden verruimingen van de wettelijke regeling DNA-onderzoek wordt afgenomen en hun DNA-profielen in de DNA-data-
toelaatbaar werden geacht.
4 bank worden verwerkt, indien in de fase van verdenking geen celmateriaal
Wet van 5 juli 2001 tot wijziging van de
regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken van hen kon worden of is afgenomen.
(Stb. 2001, 335).
5
Wet van 8 mei 2003 tot wijziging van de DNA-onderzoek heeft zich inmiddels ontwikkeld tot een belangrijk en
regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken
volwaardig instrument in de aanpak van criminaliteit en wordt mede als
in verband met het vaststellen van uiterlijk
waarneembare persoonskenmerken uit cel- gevolg van zijn bijdrage aan de opheldering van misdrijven in de samen-
materiaal (Stb. 2003, 201). leving – en ook bij de betrokken organisaties in de strafrechtsketen – niet
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 3
langer als een bedreiging ervaren, zoals nog wel het geval was ten tijde
van de totstandkoming van de eerste DNA-wetgeving.
Vanwege nieuwe technologische ontwikkelingen en de diensten die
DNA-onderzoek inmiddels aan de opsporings- en rechtspraktijk heeft
bewezen, is er regelmatig discussie over verdergaand gebruik van dit
instrument in het strafrecht. Naar aanleiding daarvan zijn op initiatief van
het ministerie van Justitie bijeenkomsten met deskundigen uit de weten-
schap en van de politie, de zittende en staande magistratuur, het College
bescherming persoonsgegevens en het Nederlands Forensisch Instituut
(NFI) georganiseerd, om de nieuwe ontwikkelingen op het terrein van
DNA-onderzoek in kaart te brengen, evenals de knelpunten en behoeften
op dat terrein. Deze nota beschrijft deze en geeft tevens aan hoe ik
daarmee de komende jaren wil omgaan. Daarmee kom ik tevens tegemoet
aan de toezegging die mijn ambtsvoorganger de Tweede Kamer heeft
gedaan een nota te zenden waarin een verkenning plaatsvindt over de
toepassing van DNA-onderzoek in strafzaken1.
De opbouw van deze nota is als volgt. In de volgende paragraaf ga ik in op
de waarde van DNA-onderzoek ten behoeve van de opsporing en vervol-
ging van strafbare feiten en de grenzen die aan het gebruik daarvan zijn
gesteld. Paragraaf 3 bevat een korte inhoud van de paragrafen 4 tot en
met 6. In paragraaf 4 geef ik aan welke verdere optimalisering van het
DNA-onderzoek kan worden aangebracht binnen de huidige DNA-wetge-
ving. In paragraaf 5 maak ik mijn voorstellen kenbaar die ertoe strekken
het DNA-onderzoek verder te optimaliseren door aanpassing van de
huidige DNA-wetgeving. In paragraaf 6 schets ik de overige ontwikke-
lingen en aandachtspunten die vanuit een juridisch oogpunt van belang
zijn. De nota sluit in paragraaf 7 af met een samenvatting.
Over de nota zijn desgevraagd adviezen ontvangen van de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de rechtspraak, het College
bescherming persoonsgegevens, de Nederlandse Orde van Advocaten,
het College van procureurs-generaal en de Raad van Hoofdcommissa-
rissen. Met deze adviezen is zo veel mogelijk rekening gehouden. In de
hierna volgende paragrafen zal, waar nodig, op de adviezen worden inge-
gaan.
2. WAARDE VAN DNA-ONDERZOEK EN DE GRENZEN AAN HET
GEBRUIK DAARVAN
2.1. Waarde van DNA-onderzoek
DNA-onderzoek is een krachtig opsporings- en bewijsmiddel. Met behulp
van dit instrument kunnen daders worden opgespoord, vervolgd en
berecht. Ook kan het gebruik van DNA-onderzoek voorkomen dat onschul-
digen worden verdacht of veroordeeld dan wel ervoor zorgen dat perso-
nen alsnog in hoger beroep of cassatie of bij herziening worden vrijge-
sproken nadat ze eerder waren veroordeeld. Dit laatste is bijvoorbeeld het
geval geweest in de Schiedammer parkmoord. Een ander middel dan
DNA-onderzoek waarmee vergelijkbare resultaten kunnen worden
behaald, is niet beschikbaar. DNA-sporen scoren in vergelijking tot andere
1
forensisch-technische sporen, zoals vuurwapen- en werktuigsporen, op
Zie Kamerstukken II 2006/07, 29 271, nr. 5,
eigenschappen als specificiteit, houdbaarheid en codeerbaarheid bijzon-
blz. 2.
2
W. Ph. Stol, N. Kop en P. A. Koppenol, Eén der goed2. Bij misdrijven worden met enige regelmaat sporen achterge-
spoor is geen spoor: naar een landelijke laten aan de hand waarvan met behulp van DNA-onderzoek een DNA-pro-
sporendatabank voor informatiegestuurde fiel kan worden gemaakt. Vergelijking van dat profiel met andere DNA-
opsporing, WODC, 2005, blz. 68. Het rapport is
profielen kan vervolgens op snelle, betrekkelijk eenvoudige en zeer
bij brief van 7 februari 2006 aan de Tweede
Kamer aangeboden; zie Kamerstukken II betrouwbare wijze een aanwijzing opleveren dat een bepaald persoon het
2005/06, 30 300 VI, nr. 115. strafbare feit heeft gepleegd dan wel ontlastende informatie voor hem
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 4
opleveren. Als andere opsporingsmethoden niet tot resultaten hebben
geleid en er weinig of geen aanwijzingen zijn over de identiteit van de
dader, kan DNA-onderzoek voor politie een laatste redmiddel vormen bij
het ophelderen van vaak ernstige misdrijven.
Door het opslaan en vergelijken van DNA-profielen van verdachten en
veroordeelden en van sporen (de zogenaamde onbekende verdachten) in
de DNA-databank kunnen niet alleen reeds gepleegde en toekomstige
misdrijven worden opgehelderd, maar kunnen ook criminele samenwer-
kingsverbanden worden blootgelegd en kan duidelijk worden dat verschil-
lende misdrijven door dezelfde persoon of personen zijn gepleegd. Door
het in verband brengen van informatie uit DNA-onderzoek met andere
opsporingsinformatie over een onopgeloste strafzaak, kan opsporings-
capaciteit effectiever en efficiënter worden ingezet en worden bijgedragen
aan het verhogen van het ophelderingspercentage van strafbare feiten.
Tot slot kan het bewaren van de DNA-profielen van verdachten en veroor-
deelden in de DNA-databank bijdragen aan het terugdringen van recidive.
Zo kan de wetenschap dat hun DNA-profiel bekend is bij justitie, veroor-
deelden die in het kader van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden
celmateriaal hebben afgestaan, weerhouden opnieuw strafbare feiten te
plegen1.
De positieve ervaringen die de afgelopen jaren met de toepassing van
DNA-onderzoek zijn opgedaan, het maatschappelijk draagvlak dat is
ontstaan om dit instrument ten behoeve van de opheldering van strafbare
feiten in te zetten en de snel voortschrijdende technologische ontwikke-
lingen, hebben ertoe geleid dat het gebruik van DNA-onderzoek krachtig is
gestimuleerd en in de praktijk van politie en justitie een steeds belangrij-
kere positie is gaan innemen. Zo wordt er – vooral sinds de introductie
van het Programma versterking opsporing en vervolging – bij de politie
meer geïnvesteerd in het veiligstellen van sporen op een plaats delict en
het op zorgvuldige wijze bewaren van de sporen2. Ook is bijvoorbeeld het
aantal sets met celmateriaal dat afgenomen is van verdachten en veroor-
deelden dat aan het NFI wordt aangeboden, toegenomen. Met name de
uitvoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden heeft ertoe
geleid dat het aantal DNA-profielen in de DNA-databank de laatste drie
jaar explosief is gegroeid. Begin 2008 waren er ruim 45 000 profielen van
personen en ruim 33 000 sporen in de DNA-databank opgenomen3, terwijl
er begin 2005 nog maar 6250 DNA-profielen van personen en 19 932
DNA-profielen van sporen in die databank waren verwerkt.
Om de mogelijkheden van DNA-onderzoek te kunnen benutten, is het
essentieel dat er een databank met DNA-profielen van verdachten en
veroordeelden bestaat. Een goed gevulde DNA-databank is geen doel op
zich, maar wel een voorwaarde om strafbare feiten op te helderen en te
voorkomen. Immers, naarmate het aantal DNA-profielen van verdachten
en veroordeelden in de DNA-databank toeneemt, heeft profielvergelijking
eerder tot gevolg dat een DNA-profiel een hit oplevert met een of meer in
de databank opgeslagen profielen. Vooral hits tussen DNA-profielen van
verdachten en veroordeelden en DNA-profielen van sporen oftewel onbe-
kende verdachten, vergroten de kans dat onopgeloste misdrijven kunnen
worden opgehelderd. Het is dan ook goed aan de hand van onderstaande
tabel uit de website van het NFI te kunnen constateren dat er vanwege de
groei van de DNA-databank in de periode maart 2006 tot maart 2007 meer
1 hits waren tussen DNA-profielen van verdachten en veroordeelden en
Vgl. bijv. Kamerstukken II 2002/03, 28 685,
nr. 3, blz. 30. DNA-profielen van sporen dan tussen DNA-profielen van sporen onder-
2
Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI, nr. 32, ling.
blz. 5 en 6.
3
Het meest actuele overzicht kan worden
gevonden op de website van het NFI die
betrekking heeft op DNA-onderzoek:
www.dnasporen.nl.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 5
Aantal hits spoor-spoor en spoor-persoon in periode maart 2006 t/m maart 20071
Vanuit diverse hoeken, waaronder de wetenschap, wordt echter ook
gewezen op de beperkingen van DNA-onderzoek: DNA-onderzoek is geen
wondermiddel2. DNA-sporen kennen ook hun zwakke kanten3.
DNA-onderzoek levert weliswaar een belangrijke bijdrage aan de waar-
heidsvinding in strafzaken, maar tegelijkertijd mogen van DNA-onderzoek
geen bovenmatige verwachtingen worden gekoesterd. DNA-onderzoek
kan slechts bevestigen dat aangetroffen sporenmateriaal naar grote mate
van waarschijnlijkheid afkomstig is van een bepaalde persoon. Het geeft
niet de zekerheid dat die persoon ook daadwerkelijk op de plaats van het
misdrijf is geweest of dat hij de dader van het misdrijf is. Om te bewijzen
dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd, is meer nodig dan het enkele
gegeven dat zijn DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van het
gevonden spoor. Verder heeft de opsporingspraktijk inmiddels aange-
toond dat daders vindingrijk zijn in het misleiden van politie en justitie.
Het komt met enige regelmaat voor dat daders alles in het werk stellen om
hun sporen uit te wissen, bijvoorbeeld door hun vluchtauto of de kleren
van het slachtoffer in brand te steken. Ook doet zich zo nu en dan de
situatie voor dat daders trachten de politie op een dwaalspoor te brengen
door op de plaats van het misdrijf lichaamsmateriaal van een ander achter
te laten met als doel de strafrechtelijke dans te ontspringen4. Bovendien
staat of valt DNA-onderzoek met het veiligstellen van sporen en de kwali-
teit van die sporen. DNA-onderzoek kan, zoals eerder is aangegeven,
bijdragen aan de waarheidsvinding, hetzij door het aanwezige bewijs te
versterken of aan te vullen, hetzij door een verdachte vrij te pleiten. Om
die bijdrage te kunnen leveren moeten er over het algemeen wel sporen
zijn veiliggesteld op basis waarvan een DNA-profiel kan worden bepaald
en waarmee het DNA-profiel van de verdachte kan worden vergeleken.
Het veiligstellen van sporen wordt echter om diverse redenen achterwege
gelaten. Dit geschiedt bijvoorbeeld vanwege het feit dat de sporen
verloren zijn gegaan omdat er teveel tijd is verstreken tussen de aangifte
van het misdrijf en het misdrijf zelf of omdat er gebrek aan capaciteit bij
de politie is om de sporen veilig te stellen. Ook wordt het niet altijd als
1
Zie de onder noot 10 genoemde website. zinvol gezien om sporen te verzamelen omdat er sprake is van een
2
Zie onder meer: Kamerstukken II 2002/03, misdrijf waarbij de dader doorgaans geen sporen achterlaat (voorbeelden
28 685, nr. 3, blz. 5 en Op zoek naar de bron,
daarvan zijn openlijke geweldpleging en eenvoudige mishandeling) of
A. P. A. Broeders, 2003, blz. 299 en volgende.
3
Zie het rapport dat in noot 7 is genoemd, doordat er overvloedig bewijs aanwezig is. Verder gebeurt het dat er wel
blz. 80. gezocht is naar sporen, maar dat deze niet gevonden zijn of dat de
4
Zie het rapport dat in noot 7 is genoemd, gevonden sporen niet bruikbaar zijn. De waarde voor de opsporing of het
blz. 27.
5 bewijs van een onvolledig profiel of een mengprofiel is geringer dan van
Zie de in noot 1 genoemde bundel «De
Essenties van forensisch DNA-onderzoek», een volledig profiel5. Bij zedendelicten kan DNA-onderzoek een grote rol
deel 5, blz. 10 tot en met 12. spelen bij het vinden van een onbekende dader, maar regelmatig is de
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 6
dader bekend en gaat de discussie over de vraag of er wel of geen sprake
is geweest van gedwongen seksueel contact. Zelfs bij een delict als een
woninginbraak is uit gesprekken met mensen uit de praktijk gebleken dat
maar in ongeveer 25% van de onderzochte inbraken celmateriaal kan
worden veiliggesteld waarvan in ongeveer 66% van de gevallen een
DNA-profiel kan worden opgemaakt. 100 aangiftes van woninginbraak
leveren gemiddeld dus in circa 17 gevallen een bruikbaar DNA-profiel op.
Naast voornoemde beperkingen, vormt ook de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van degene bij wie DNA-onderzoek wordt
verricht, een reden om op zorgvuldige wijze om te gaan met dit middel.
Immers, de wetenschap is dankzij de voortschrijdende technologische
mogelijkheden in staat om steeds meer gevoelige gegevens uit celmate-
riaal te halen die belastend kunnen zijn voor de persoonlijke levenssfeer.
Mede daarom wordt in de volgende paragraaf en in paragraaf 4.1.3 inge-
gaan op de grenzen die aan de toepassing van DNA-onderzoek in straf-
zaken gesteld worden en de daarbij te hanteren voorwaarden.
2.2. Grenzen aan het gebruik van DNA-onderzoek
Mede vanwege voornoemde beperkingen is het van belang een goed
evenwicht te bewaren tussen het algemene belang van een veilige samen-
leving aan de ene kant, en de bescherming van het recht op onaantast-
baarheid van het menselijk lichaam en het recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van betrokkenen aan de andere kant. En uiteraard
spelen ook de capacitaire en financiële consequenties voor de betrokken
organisaties een rol. Deze belangenafweging heeft er de laatste jaren toe
geleid dat de mogelijkheden van het gebruik van DNA-onderzoek sterk zijn
verruimd, maar dat tegelijkertijd wel heldere wettelijke grenzen en waar-
borgen zijn geformuleerd ten aanzien van de toepassing van dit instru-
ment1. Vooruitgang en behoedzaamheid zijn in geval van DNA-onderzoek
telkens hand in hand gegaan.
Een van de belangrijkste wettelijke grenzen die in het recente verleden is
gesteld, is dat het onder dwang afnemen van celmateriaal voor DNA-onder-
zoek alleen is toegestaan ten aanzien van degenen op wie een verdenking
van een ernstig misdrijf rust of die zijn veroordeeld voor een ernstig
misdrijf. In de verdenking wegens een ernstig misdrijf of de veroordeling
wegens een ernstig misdrijf waarbij een vrijheidsbenemende straf of
strafrechtelijke maatregel is opgelegd, ligt de legitimatie besloten om hen
te onderwerpen aan een DNA-onderzoek. Ten aanzien van anderen dan
verdachten en veroordeelden wordt afname van celmateriaal alleen op
vrijwillige basis gerechtvaardigd geacht. Dat vloeit voort uit het algemeen
aanvaarde uitgangspunt dat het niet gerechtvaardigd is ten aanzien van
mensen op wie geen verdenking rust of die niet zijn veroordeeld, een
strafvorderlijk dwangmiddel toe te passen. Ten opzichte van hen bestaat
voor het aanwenden van een dwangmiddel geen grondslag en legitimatie.
Gedwongen DNA-onderzoek bij ex-veroordeelden heeft de toenmalige
minister van Justitie om die reden dan ook van de hand gewezen2. Het
1
Deze grenzen zijn in de adviezen die over de Besluit DNA-onderzoek in strafzaken biedt slechts de gelegenheid aan
onderhavige nota zijn uitgebracht, niet
ex-veroordeelden om op eigen initiatief celmateriaal voor DNA-onderzoek
betwist. De Raad van Hoofdcommissarisen
heeft deze met zoveel woorden in zijn advies af te staan en hun DNA-profielen in de DNA-databank te laten verwerken3.
onderschreven. Ook de gedachte om van alle Nederlanders celmateriaal af te nemen en
2
Zie voor de principiële en praktische hun daaruit verkregen DNA-profiel te verwerken in de DNA-databank is
bezwaren daartegen het nader rapport bij het
mede om die reden niet omarmd4. In het licht van het genoemde uitgangs-
voorstel van Wet DNA-onderzoek bij veroor-
deelden; Kamerstukken II 2002/03, 28 685, A, punt is verder bijvoorbeeld geregeld dat de DNA-profielen van niet-verdach-
blz. 7 en 8. ten niet worden opgeslagen in de DNA-databank en dat hun celmateriaal
3
Van deze mogelijkheid hebben de ex-veroor- wordt vernietigd indien hun profiel niet overeenkomt met het DNA-profiel
deelden tot op heden geen gebruik gemaakt.
4 dat is vervaardigd van het sporenmateriaal dat gevonden is in de zaak in
Zie voor de principiële en praktische bezwa-
ren: Kamerstukken II 2002/03, 28 600 VI, nr. 5, het kader waarvan hij heeft meegewerkt aan een DNA-onderzoek.
blz. 20 en 21.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 7
Naast de beperking tot verdachten en veroordeelden geldt naar huidig
recht als andere belangrijke wettelijke grens dat DNA-onderzoek uitslui-
tend in het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten
mag plaatsvinden. Een derde grens is dat het DNA-onderzoek slechts kan
geschieden indien er sprake is van een ernstig misdrijf. Sinds de inwer-
kingtreding van de eerder genoemde DNA-wet van 5 juli 2001 op 1 novem-
ber 2001 volstaat een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten. Met de grens van voorlopige hechtenis is aange-
sloten bij het in het Wetboek van Strafvordering vastgelegde uitgangspunt
dat dwangmiddelen die een inbreuk maken op de lichamelijke integriteit
of andere grondrechten, alleen kunnen worden bevolen in geval van
verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toege-
laten. Ook DNA-onderzoek bij veroordeelden en DNA-onderzoek naar
uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van onbekende verdachten
mogen alleen maar worden verricht ingeval er sprake is van een misdrijf
waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is. Bij het laatstgenoemde
DNA-onderzoek geldt daarbovenop als grens dat het moet gaan om uiter-
lijk waarneembare persoonskenmerken die voor de opsporing relevant
zijn. Dat zijn persoonskenmerken die iemand vanaf de geboorte heeft en
die voor een ieder in een oogopslag zichtbaar zijn.
3. KORTE INHOUD VAN DE PARAGRAFEN 4 TOT EN MET 6
Tijdens de bijeenkomsten met vertegenwoordigers uit de opsporingsen
rechtspraktijk en de wetenschap is, zoals in paragraaf 1 is opgemerkt, niet
alleen de stand van de techniek ten aanzien van DNA-onderzoek doorge-
sproken en de consquenties daarvan voor de DNA-regelgeving, maar zijn
ook de behoeften en knelpunten besproken die in de praktijk leven met
betrekking tot deze regelgeving. Aan de orde zijn geweest het criterium
van het belang van het onderzoek dat geldt bij de toepassing van gedwon-
gen DNA-onderzoek. Verder is gesproken over het loslaten van de gefa-
seerde invoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden voor
veelplegers. In de volgende paragraaf wordt op deze onderwerpen inge-
gaan. Verder wordt in die paragraaf het onderwerp «grootschalig
DNA-onderzoek» besproken. Bij brief van 6 maart 20071 heb ik de Tweede
Kamer toegezegd deze nota tevens aan te grijpen om dit laatste onder-
werp te bespreken. Aanleiding daarvoor vormt het rapport van het WODC
met de titel «Kringen rond de dader, grootschalig DNA-onderzoek als
instrument in de opsporing»2.
In paragraaf 5 komt in de eerste plaats verwantschapsonderzoek aan de
orde. Dit onderzoek kan evenals het klassieke DNA-onderzoek en het
onderzoek naar de uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van de
onbekende verdachte van belang zijn om de identiteit van een verdachte
vast te stellen. Ervaringen in het buitenland, bijvoorbeeld in het Verenigd
Koninkrijk3, hebben dat inmiddels aangetoond. In paragraaf 5.1. zet ik
uiteen onder welke waarborgen en beperkingen ik wil bevorderen dat in
het Wetboek van Strafvordering een basis wordt gecreëerd voor de
toepassing van DNA-verwantschapsonderzoek. Afgezien van het
verwantschapsonderzoek worden in paragraaf 5 nog de volgende drie
onderwerpen besproken: DNA-onderzoek op verzoek van het slachtoffer,
DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van een
ongeïdentificeerd overleden slachtoffer, alsmede toekenning van de
bevoegdheid aan de hulpofficier van justitie tot het verrichten van
DNA-onderzoek aan celmateriaal van onbekende verdachten.
In paragraaf 6 wordt de regelmatig vanuit het parlement geuite wens
1
Kamerstukken II 2006/07, 29 271, nr. 6. behandeld om de grens van gedwongen toepassing van DNA-onderzoek
2
C. J. de Poot en E. W. Kruisbergen, WODC,
te verlagen. Deze ligt nu bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is
2006, nr. 246.
3
Zie bijvoorbeeld The National DNA Database toegelaten. Tot slot komen in die paragraaf aan de orde DNA-onderzoek
Annual Report 2005–2006, blz. 20. bij mensen die op een niet-natuurlijke wijze zijn overleden, een aantal
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 8
technologische ontwikkelingen op het terrein van DNA-onderzoek en de
internationale ontwikkelingen die van invloed zijn op de DNA-regelgeving.
Er vindt binnen de Europese Unie een steeds intensievere samenwerking
op het terrein van informatie-uitwisseling plaats teneinde onder meer
grensoverschrijdende criminaliteit effectiever te kunnen bestrijden. Het
betreft hier ook een versoepeling van de samenwerking op het terrein van
het DNA-onderzoek.
4. VERDERE OPTIMALISERING VAN HET DNA-ONDERZOEK IN
STRAFZAKEN BINNEN DE HUIDIGE DNA-WETGEVING
4.1. Verruiming van de toepassing van het criterium van het
onderzoeksbelang
4.1.1. Gesignaleerde knelpunten en behoeften
Tijdens de bijeenkomsten met vertegenwoordigers uit de opsporingsen
rechtspraktijk en de wetenschap is gebleken dat er in de praktijk ten
aanzien van het afnemen van celmateriaal voor DNA-onderzoek in het
vooronderzoek een aantal knelpunten en behoeften bestaat. In de bijeen-
komsten is genoemd dat het criterium van het onderzoeksbelang met zich
brengt dat alleen DNA-onderzoek kan worden verricht als er sporen zijn
veiliggesteld. Alleen dan is er immers een onderzoeksbelang om het
DNA-profiel van de sporen te vergelijken met dat van de verdachte. In de
praktijk worden echter om de redenen, die in paragraaf 2.1 zijn genoemd,
lang niet in alle gevallen sporen veiliggesteld. In dergelijke gevallen wil de
politie toch DNA-onderzoek kunnen doen. De politie acht een opname van
het DNA-profiel van de verdachte in de DNA-databank ook in die gevallen
wenselijk omdat dit wellicht informatie kan opleveren indien er hits zijn
met andere profielen in de databank die zijn verkregen in verband met
andere misdrijven. In dergelijke gevallen kan echter niet worden voldaan
aan het criterium van het onderzoeksbelang en kan de bevoegdheid tot
het verrichten van DNA-onderzoek niet worden toegepast. In de bijeen-
komsten is ook genoemd dat officieren van justitie het begrip «onderzoeks-
belang» veelal restrictief interpreteren. Zij zouden de ruimte die dit begrip
biedt om gedwongen DNA-onderzoek toe te passen, niet altijd optimaal
benutten, bijvoorbeeld niet als ander bewijsmateriaal beschikbaar is.
In de bijeenkomsten is ook naar voren gekomen de behoefte om DNA-
onderzoek in het vooronderzoek in te zetten als algemeen opsporings-
middel. DNA-onderzoek kan nu alleen worden bevolen ten behoeve van
de opheldering van een concrete zaak en niet louter om eerder gepleegde
of toekomstige strafbare feiten op te lossen, waardoor in een vroeg
stadium de criminele carrière van iemand in kaart kan worden gebracht en
criminele samenwerkingsverbanden zichtbaar kunnen worden gemaakt.
De Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden biedt die mogelijkheid wel.
Maar DNA-onderzoek na een veroordeling kost de politie meer capaciteit
en inspanning dan in het stadium van de verdenking. Na de veroordeling
moet een persoon, indien hij zich niet in een inrichting bevindt, namelijk
worden opgeroepen voor het afnemen van zijn celmateriaal en indien hij
zich niet vrijwillig meldt, worden opgehaald door de politie, terwijl bij een
verdenking het celmateriaal direct kan worden afgenomen in het kader
van zijn inverzekeringstelling en hij toch al op het politiebureau aanwezig
is.
Ten slotte is, in samenhang met het voorgaande, tijdens deze bijeenkom-
sten aan de orde gesteld dat DNA-onderzoek niet kan worden gebruikt om
in een vroeg stadium alle informatie te verzamelen over de strafbare
feiten die betrokkene heeft begaan opdat daarmee bij zijn veroordeling en
de straf of maatregel die hem wordt opgelegd, rekening kan worden
gehouden. Het dwangmiddel «DNA-onderzoek» mag – zo wordt veronder-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 9
steld – slechts delictgericht, dat wil zeggen ter opheldering van een
concrete strafzaak, worden toegepast en niet persoonsgericht, waarop de
aanpak van veelplegers is gericht. Indien er in de concrete strafzaak geen
onderzoeksbelang is, is DNA-onderzoek niet mogelijk. Dat wordt als een
belemmering ervaren in de aanpak van veelplegers.
De Raad van Hoofdcommissarissen onderschrijft in zijn advies deze knel-
punten en behoeften. In de knelpunten en behoeften kan voor een deel
worden voorzien door intensivering van de huidige mogelijkheden en
goede voorlichting. Voor een ander deel zijn andere oplossingen nodig.
Mede om die reden is bezien op welke wijze de toepassing die thans in
het kader van DNA-onderzoek in het strafrechtelijk vooronderzoek aan het
criterium van het onderzoeksbelang wordt gegeven, kan worden
verruimd. Ook is om die reden gekeken naar het loslaten van de gefa-
seerde invoering van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, zoals
hieronder in paragraaf 4.2. aan de orde zal komen. Zoals hierna aan de
orde zal komen, zie ik hierin een forse verruiming van de toepassing van
DNA-onderzoek in zowel het vooronderzoek als na veroordeling. Hiermee
wordt in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de wens van de Raad
van Hoofdcommissarissen dat DNA-onderzoek een meer prominente rol
moet spelen in het vooronderzoek. Tevens wordt aangesloten bij hetgeen
het openbaar ministerie als wenselijk ziet voor de opsporing van misdrij-
ven.
4.1.2. Ruimere toepassing van het criterium van het onderzoeksbelang
Met ingang van 1 november 2001 kan als gevolg van de inwerkingtreding
van de eerder aangehaalde DNA-wet van 5 juli 2001 van de verdachte van
een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en tegen wie
ernstige bezwaren bestaan tegen zijn wil celmateriaal ten behoeve van
een DNA-onderzoek worden afgenomen, indien dat in het belang van het
onderzoek is. Deze bevoegdheid is neergelegd in de artikelen 151b, eerste
lid, en 195d, eerste lid, Sv.
Het criterium van het onderzoeksbelang is in geval van DNA-onderzoek tot
nu toe anders toegepast dan bij andere dwangmiddelen en opsporings-
bevoegdheden in het vooronderzoek. Uitgangspunt tot nu toe is dat
DNA-onderzoek alleen wordt verricht indien dit kan bijdragen aan de
opsporing en bewijsvoering door de verdachte te belasten of ontlasten.
Uitgangspunt is verder dat DNA-onderzoek alleen kan bijdragen aan de
opsporing en bewijsvoering als er sporen zijn veiliggesteld op basis
waarvan een DNA-profiel kan worden bepaald en waarmee het DNA-pro-
fiel van de verdachte kan worden vergeleken1. Bij de toepassing van
andere dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden wordt een ruimere
toepassing gegeven aan het criterium van het onderzoeksbelang: niet
alleen het verkrijgen van informatie waarmee richting kan worden
gegeven aan het opsporingsonderzoek en het verzamelen van bewijs
wordt gezien als onderzoeksbelang, maar ook het verkrijgen van andere
informatie die van belang is voor het opsporingsonderzoek. Het opspo-
ringsonderzoek heeft ingevolge artikel 132a Sv tot doel het nemen van
strafvorderlijke beslissingen en daaronder zijn niet alleen begrepen de
beslissingen over het bewijs, maar ook andere beslissingen, zoals over de
vervolging en de te vorderen sancties.
Alvorens hierna zal worden ingegaan op de mogelijkheden tot ruimere
1
Deze grens heeft de rechtbank te Arnhem in toepassing van het criterium van het onderzoeksbelang bij DNA-onder-
haar uitspraak van 29 oktober 2004 bevestigd. zoek die meer overeenkomt met de toepassing bij andere dwangmiddelen
Er is volgens deze rechtbank geen onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden in het vooronderzoek, is het van belang op
belang aanwezig indien er sprake is van
te merken dat het onderzoeksbelang, net als bij de toepassing van de
betrapping op heterdaad en er geen foren-
sisch materiaal voorhanden is om nader DNA- andere dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden, betrekking heeft op
onderzoek te rechtvaardigen. de opsporing van het misdrijf waarvan de verdachte wordt verdacht.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 10
DNA-onderzoek kan dus niet worden verricht met het uitsluitende oog-
merk om het DNA-profiel van de verdachte op te nemen in de DNA-data-
bank teneinde eventueel andere strafbare feiten op te lossen die de
verdachte wellicht reeds heeft gepleegd of in de toekomst zal plegen.
Tevens vereist het onderzoeksbelang een afweging van de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit. Een afweging van deze beginselen
brengt met zich dat toepassing van de bevoegdheid in verhouding moet
staan tot het te bereiken doel. Dit betekent dat bij overvloedig bewijs-
materiaal een bevel tot afname van celmateriaal veelal minder goed te
rechtvaardigen is. Maar ook dan kan een onderzoeksbelang aanwezig zijn
om bevestiging te verkrijgen van reeds verkregen onderzoeksresultaten,
zoals verklaringen van de verdachte over zijn betrokkenheid bij het straf-
bare feit waarvan hij wordt verdacht1. Ook in het geval de verklaringen
van de verdachte een bekentenis inhouden sluit het onderzoeksbelang
een bevel tot afname van celmateriaal niet uit2. DNA-onderzoek kan er in
dat geval op gericht zijn te bevestigen dat de verdachte die de bekentenis
heeft afgelegd, ook inderdaad de dader is.
Verruiming van de toepassing van het criterium van het onderzoeksbelang
in geval van DNA-onderzoek houdt in dat, alhoewel er in een concrete
strafzaak geen biologische sporen zijn gevonden, toch DNA-onderzoek
kan worden bevolen, indien er andere feiten of omstandigheden zijn op
grond waarvan de officier van justitie verwacht dat DNA-onderzoek bij de
verdachte kan bijdragen aan het opsporingsonderzoek. Een voorbeeld
hiervan is dat de verdachte blijkt deel uit te maken van een groep van
personen die regelmatig bepaalde misdrijven hebben gepleegd, bijvoor-
beeld inbraken of groepsverkrachtingen. In dit voorbeeld kan het vast-
stellen van de mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de eerdere
misdrijven bijdragen aan de opheldering van het actuele misdrijf. Dit
onderzoeksbelang rechtvaardigt dat bij de verdachte DNA-onderzoek
wordt verricht, zodat zijn DNA-profiel vergeleken wordt met het profiel
van de sporen van die eerdere misdrijven. Een tweede voorbeeld betreft
een casus waarin van de verdachte bekend is dat hij eerder veroordeeld is
voor vergelijkbare misdrijven op grond waarvan de officier van justitie
verwacht dat er sprake is van een patroon van misdrijven. DNA-onderzoek
bij de verdachte – tegen wie ernstige bezwaren bestaan – en de daaraan
gekoppelde profielvergelijking in de DNA-databank kan dan zichtbaar
maken dat het misdrijf niet op zichzelf staat. Door het blootleggen van dat
patroon kan inzicht worden verkregen in de motieven en werkwijze van de
verdachte, hetgeen relevant is voor de beoordeling van de verdachte en
de ernst van het misdrijf en daarmee voor de op te leggen straf.
DNA-onderzoek is hier niet alleen gericht op de waarheidsvinding, in de
zin van het vergaren van belastend of ontlastend bewijs, maar vindt ook
plaats met het oog op de naar aanleiding van het concrete strafbare feit
op te leggen sancties, maatregelen en voorzieningen3. Het voorgaande is
ook van belang voor de aanpak van veelplegers, voor zover inzicht in de
betrokkenheid bij eerdere misdrijven bepalend is voor de beoordeling van
de motieven en achtergronden van de verdachte en de (hoogte van de) op
te leggen sanctie.
De voorgestelde ruimere interpretatie van het criterium van het onder-
zoeksbelang bij DNA-onderzoek maakt het mogelijk dat, ook zonder dat
sporen zijn aangetroffen in de concrete zaak, vaker DNA-onderzoek in het
vooronderzoek zal worden verricht. Vergelijking van het DNA-profiel van
de verdachte met de andere in de DNA-databank verwerkte DNA-profielen
kan namelijk belangrijke informatie opleveren over de betrokkenheid van
1
HR 19 december 2006, NJ 2007, 27. de verdachte bij eerdere strafbare feiten, die mede bepalend is voor de
2
Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 271, nr. 6,
opsporing, vervolging en berechting van het misdrijf dat de verdachte ten
blz. 59 en nr. 9, blz. 34 en 58.
3
Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, laste wordt gelegd. Hierbij geldt dat hoe meer plaatsen van misdrijf op
blz. 7. sporen worden onderzocht, hoe groter de kans dat verbanden tussen
Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 415, nr. 1 11
verschillende misdrijven kunnen worden vastgesteld en misdrijven
kunnen worden opgelost. Op deze wijze kan voorkomen worden –
hetgeen de Raad van Hoofdcommissarissen in zijn advies naar voren
brengt – dat veelplegers en plegers van ernstige kapitale en zedenmis-
drijven vrijuit kunnen gaan, dan wel dat niet alle informatie die over hen
beschikbaar is kan worden benut voor de opsporing en berechting van
hun zaak. Niet pas na veroordeling maar reeds in het vooronderzoek kan –
zeker bij verdachten die bekend staan om hun recidive of bij delicten
waarvan bekend is dat de kans op recidive groot is en ter opheldering
waarvan DNA-onderzoek relevant kan zijn – DNA-onderzoek worden
verricht. Hiermee wordt naar mijn mening tegemoet gekomen aan de
wens van de politie dat DNA-onderzoek in het vooronderzoek – in het
bijzonder in deze gevallen – een voorname rol speelt en de bijdrage kan
leveren die dit middel biedt.
Het is verheugend dat het College van procureurs-generaal de voorge-
stelde verruiming steunt. Uit het advies van het College kan worden afge-
leid dat het verwacht dat met de ruimere toepassing van het onderzoeks-
belang een einde komt aan de situatie waarin het onderzoeksbelang een
belangrijke handicap vormt voor de inzet van DNA-onderzoek, met name
bij woninginbraken en zedendelicten zonder biologische sporen. Het
College is van oordeel dat de ervaringen die de laatste jaren met het
DNA-onderzoek zijn opgedaan rechtvaardigen dat het DNA-onderzoek
gelijk wordt gesteld met de overige opsporingsbevoegdheden. Ook de
Raad voor de rechtspraak kan zich vinden in de voorgestelde verruiming
van het onderzoeksbelang.
De Nederlandse Orde van Advocaten is van oordeel dat het gebruik van
DNA-onderzoek als «meer algemeen opsporingsmiddel in de concrete
strafzaak» op gespannen voet staat met de eis van dringende maatschap-
pelijke noodzaak uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Volgens de Orde is een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de
verdachte alleen maar gerechtvaardigd als DNA-onderzoek «een noodza-
kelijke onderzoeksmaatregel is voor de waarheidsvinding in deze zaak,
tegen deze verdachte».
Ik deel de opvatting van de Orde dat de toepassing van