Tekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal
2
Vergaderjaar 2002–2003
28 685 Regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden
(Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
1. Inleiding
Dit wetsvoorstel strekt ertoe afname van celmateriaal ten behoeve van
DNA-onderzoek bij veroordeelden mogelijk te maken.
Tot dusver is DNA-onderzoek in strafzaken alleen toegestaan bij verden-
king van een strafbaar feit. Tijdens het voorbereidend onderzoek kan uit
gevonden celmateriaal een DNA-profiel worden vastgesteld en vergeleken
met de DNA-profielen die zijn opgenomen in de DNA-databank voor straf-
zaken (hierna aangeduid als: DNA-databank). Verder kan bij verdachten op
vrijwillige basis celmateriaal worden afgenomen. In geval van een verden-
king van een misdrijf, omschreven in artikel 67, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, kan bij een verdachte tegen wie ernstige
bezwaren bestaan onder dwang celmateriaal ten behoeve van een
DNA-onderzoek worden afgenomen, indien dat in het belang van het
onderzoek is. Het uit dit celmateriaal verkregen DNA-profiel wordt opge-
nomen in de DNA-databank en vergeleken met het DNA-profiel uit het
celmateriaal dat is gevonden op de plaats van het delict, en met de andere
in de DNA-databank opgenomen DNA-profielen.
Indien de verdachte van wie tijdens het voorbereidend onderzoek een
DNA-profiel is bepaald, later wordt veroordeeld, blijft zijn DNA-profiel
gedurende een termijn van twintig of dertig jaren in de DNA-databank
bewaard. Daarmee wordt beoogd bij te dragen aan de opsporing van
toekomstige en andere reeds gepleegde strafbare feiten van deze veroor-
deelde. Het bewaren van zijn DNA-profiel gedurende een bepaalde termijn
kan bovendien een preventief effect hebben op zijn gedrag.
Het onderhavige wetsvoorstel, dat eind januari 2001 in de Tweede Kamer
is aangekondigd tijdens de mondelinge behandeling van het voorstel van
wet houdende wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in straf-
zaken (Handelingen II 2000/01, blz. 3440, 3479–3482), bouwt voort op de
hiervoor genoemde overwegingen die ten grondslag liggen aan het
bewaren van DNA-profielen van veroordeelde verdachten. Ook ingeval
tijdens het voorbereidend onderzoek, wegens overvloedig bewijs-
materiaal, geen onderzoeksbelang aanwezig was om een DNA-profiel van
de verdachte te bepalen en te verwerken in de DNA-databank, is het
immers van belang dat toekomstige en andere reeds gepleegde strafbare
feiten van de veroordeelde verdachte op efficiënte wijze kunnen worden
KST64762
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
’s-Gravenhage 2002 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 1
opgespoord en dat hij zo mogelijk wordt weerhouden van het plegen van
nieuwe strafbare feiten. De huidige regelgeving laat evenwel niet toe dat
in dit geval een DNA-profiel van de veroordeelde wordt bepaald voor
verwerking in de DNA-databank.
Denkbaar zou zijn te regelen dat van verdachten, ook zonder dat het
belang van het onderzoek dat vereist, celmateriaal voor DNA-onderzoek
wordt afgenomen. Het doen vervallen van het belang van het onderzoek
als vereiste voor DNA-onderzoek bij verdachten brengt echter principiële
bezwaren met zich, die tijdens de behandeling door de Tweede Kamer van
het hiervoor genoemde wetsvoorstel reeds uitvoerig aan de orde zijn
gekomen (zie Kamerstukken II 2000/01, 26 271, nr. 16). Kort gezegd
houden deze bezwaren het volgende in. Algemeen strafvorderlijk
uitgangspunt is dat dwangmiddelen die een inbreuk maken op de licha-
melijke integriteit alleen bij verdenking van een strafbaar feit mogen
worden toegepast en indien het onderzoek ter opheldering van dat straf-
bare feit dat rechtvaardigt. Indien de voorwaarde van het onderzoeks-
belang zou worden losgelaten, dan zou voor het gedwongen afnemen van
celmateriaal bij verdachten dit algemeen strafvorderlijk uitgangspunt
worden verlaten. Als gevolg daarvan zouden aan dit dwangmiddel minder
stringente voorwaarden zijn verbonden dan aan andere dwangmiddelen
die een inbreuk maken op de lichamelijke integriteit. Dat terwijl sommige
van deze dwangmiddelen minder ingrijpend zijn dan gedwongen
DNA-onderzoek. Een ander bezwaar tegen het laten vervallen van het
onderzoeksbelang is dat het afnemen van celmateriaal dan ook mogelijk
zou worden bij strafbare feiten voor de opheldering waarvan
DNA-onderzoek niet of nauwelijks relevant kan zijn. In die gevallen is
gedwongen afname van celmateriaal disproportioneel. Vanwege deze
bezwaren is het onderzoeksbelang als vereiste voor DNA-onderzoek bij
verdachten gehandhaafd.
Het onderhavige wetsvoorstel vereist voor DNA-onderzoek bij veroor-
deelden een veroordeling wegens een misdrijf als omschreven in artikel
67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De veroordeling vormt
de grondslag van het DNA-onderzoek. Bij DNA-onderzoek bij veroor-
deelden ontbreekt het directe onderzoeksbelang, maar daar staat tegen-
over dat het vereiste van een ernstige verdenking is verzwaard tot het
vereiste van een veroordeling door de strafrechter. Van de personen op
wie het DNA-onderzoek zich richt, staat blijkens hun veroordeling vast dat
zij in staat zijn geweest een ernstig misdrijf te plegen. De zwaarte van dit
misdrijf kan naar het oordeel van de regering rechtvaardigen dat, voor-
zover dat nog niet was gebeurd, het DNA-profiel van de veroordeelde
wordt bepaald en verwerkt, teneinde bij te dragen aan de opsporing,
vervolging en berechting van reeds gepleegde en eventuele toekomstige
strafbare feiten van de veroordeelde, en om hem zo mogelijk ervan te
weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het onderhavige wetsvoorstel zal leiden tot een aanzienlijke toename van
het aantal DNA-profielen in de DNA-databank. Daarmee kan een belang-
rijke bijdrage worden geleverd aan de voorkoming, opsporing, vervolging
en berechting van strafbare feiten waarbij celmateriaal van daders wordt
achtergelaten. Het aantal DNA-profielen in de DNA-databank zal ingevolge
dit wetsvoorstel eenmalig zeer sterk stijgen doordat tevens is voorzien in
DNA-onderzoek bij personen die op het moment van inwerkingtreding
van de wet reeds zijn veroordeeld of ontslagen van alle rechtsvervolging
(onmiddellijke werking). Het gaat daarbij om veroordeelden die op dat
moment een vrijheidsbenemende straf of maatregel ondergaan of nog
moeten ondergaan.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 2
2. Geschiedenis van het voorstel tot DNA-onderzoek bij
veroordeelden
De gedachtevorming over DNA-onderzoek bij veroordeelden is in ons land
medio 1999 op gang gekomen, mede naar aanleiding van berichten in de
media over ontwikkelingen in het buitenland. In de nota naar aanleiding
van het verslag bij het voorstel van wet houdende wijziging van de rege-
ling van het DNA-onderzoek in strafzaken (Kamerstukken II 1999/2000,
26 271, nr. 6, blz. 10–13) heeft de regering aarzelingen geuit ten aanzien
van de invoering van de mogelijkheid van DNA-onderzoek bij veroor-
deelden. Zo vroeg zij zich af of het niet te ver zou gaan de bevoegdheid tot
het afnemen van celmateriaal voor DNA-onderzoek ook aan te wenden in
situaties waarin geen direct strafvorderlijk doel aanwezig is. Vanwege
deze aarzelingen achtte de regering het wenselijk niet over één nacht ijs te
gaan en over deze materie advies in te winnen bij de Centrale Raad voor
Strafrechtstoepassing.
De Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing heeft vervolgens tezamen
met het College van advies voor de justitiële kinderbescherming bij
brief van 28 februari 2000 zijn advies aan mij aangeboden (kenmerk
5011807/00).1 Samengevat adviseren de raad en het college een wettelijke
regeling te treffen voor toepassing van DNA-onderzoek bij te veroordelen
personen en veroordeelden wegens ernstige geweldsdelicten en zeden-
misdrijven, voorzover toepassing van deze maatregel in de opsporings-
fase niet heeft plaatsgevonden en deze toepassing een preventief effect
op het gedrag van betrokkene zal hebben. Indien aan die twee voor-
waarden is voldaan, achten de raad en het college het verplichten tot het
afstaan van DNA-materiaal in het kader van de tenuitvoerlegging van
straffen en maatregelen mogelijk, alvorens vrijheden worden verleend.
Veroordeelden die hun straf of maatregel reeds hebben ondergaan,
mogen volgens hen niet worden verplicht mee te werken aan een
DNA-onderzoek. Alleen wanneer zij opnieuw verdacht worden van een
ernstig gewelds- of zedendelict, kan afname en opslag van DNA-gegevens
mogelijk zijn. Verder stellen de raad en het college voor de rechter de
wettelijke bevoegdheid te geven om bij gelegenheid van de veroordeling
de betrokkene de verplichting op te leggen celmateriaal voor
DNA-onderzoek af te staan voor de verwerking van zijn DNA-profiel in de
DNA-databank.
Het positieve advies van de raad en het college was de regering vervol-
gens tot steun in het voornemen DNA-onderzoek bij TBS-gestelden als
voorwaarde bij proefverlof en bij voorwaardelijke beëindiging van de
dwangverpleging te regelen. In de nota naar aanleiding van het nader
verslag bij het voorstel van wet houdende wijziging van de regeling van
het DNA-onderzoek in strafzaken (Kamerstukken II 1999/2000, 26 271, nr. 9,
blz. 24–25) heeft de regering op dit punt dan ook een wetsvoorstel in het
vooruitzicht gesteld. In dat wetsvoorstel zou dan tevens de bevoegdheid
worden gecreëerd voor de rechter om bij veroordeling in nader te
omschrijven gevallen te bevelen dat de veroordeelde meewerkt aan een
DNA-onderzoek.
Daarnaast werd in de zojuist aangehaalde nota naar aanleiding van het
nader verslag aangekondigd dat medewerking aan DNA-onderzoek ook
zou worden betrokken in de voorgenomen herziening van de vervroegde
invrijheidstelling (deze herziening komt voort uit de beleidsnota «Sancties
in perspectief» van februari 2000).
Onderzoek naar de wijze waarop in het buitenland DNA-onderzoek bij
veroordeelden is geregeld en een nadere analyse van de verschillende
mogelijkheden om deze materie in Nederland wettelijk te verankeren,
hebben echter tot de conclusie geleid dat een wat andere benadering dan
in de nota naar aanleiding van het nader verslag was aangekondigd, de
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- voorkeur verdient. In het onderhavige wetsvoorstel is uiteindelijk gekozen
tiepunt Tweede Kamer. voor een zelfstandige, eenduidige regeling die geldt voor alle veroor-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 3
deelden wegens misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten,
in plaats van allerhande regelingen in voorwaardelijke modaliteiten
(bijvoorbeeld proefverlof en gratie), waarbij de voorwaarde van
DNA-onderzoek op verschillende momenten en door verschillende autori-
teiten wordt gesteld, en waarbij de betrokkene de mogelijkheid behoudt
het DNA-onderzoek te ontgaan. Daarbij heeft tevens een rol gespeeld dat
de consequentie van het niet voldoen aan de voorwaarde van
DNA-onderzoek in de meeste gevallen tenuitvoerlegging van de opge-
legde vrijheidsbeneming zou zijn. Dat is een zeer vergaande consequentie,
die weinig of geen verband houdt met de primaire strekking van het
DNA-onderzoek, te weten de zekerstelling van een potentieel opsporings-
middel ten behoeve van andere strafzaken dan die waarin de betrokkene
is veroordeeld. De bij de veroordeling opgelegde vrijheidsbeneming biedt
daarvoor geen adequate grondslag. Het gaat er ook niet om dat de veroor-
deelde (langer) zijn vrijheid wordt benomen, maar dat zijn DNA-profiel in
de DNA-databank wordt verwerkt.
Om vergelijkbare redenen is ervan afgezien de rechter ter zitting de
bevoegdheid te geven bij veroordeling de verplichting tot medewerking
aan DNA-onderzoek op te leggen. De rechter ter zitting in een strafzaak is
niet de aangewezen autoriteit om – buiten de context van het onderzoek in
die strafzaak – te worden belast met zorgen voor de opheldering van
andere of toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde. Een centrale
rol voor het openbaar ministerie, dat ook in bredere zin verantwoordelijk-
heid draagt voor de kwaliteit en de effectiviteit van de opsporing, is meer
op zijn plaats (zie ook paragraaf 5.4). Verder is van belang dat, zoals ook in
paragraaf 6.2 nog aan de orde zal komen, het instrument DNA-onderzoek
bij veroordeelden zich lastig laat classifiseren als straf of als strafrechte-
lijke maatregel, alsmede dat in het onderhavige wetsvoorstel geen vast-
stelling van concreet recidivegevaar wordt geëist. Ook om deze redenen
ligt een centrale rol voor de zittingsrechter niet in de rede.
Hoewel DNA-onderzoek bij veroordeelden in de kern het zekerstellen van
een potentieel opsporingsmiddel behelst, is er niet voor gekozen de
inhoud van dit wetsvoorstel onder te brengen in het Wetboek van Straf-
vordering. De reden daarvoor is dat het DNA-onderzoek in dit wetboek
moeilijk kan worden ingepast. Plaatsing in de regeling van het voorberei-
dend onderzoek wringt, omdat het DNA-onderzoek niet strekt tot de
opheldering van een concrete verdenking, maar eerst na een veroordeling
plaatsvindt. Anders dan het verwerken van DNA-profielen van verdachten
die ten behoeve van de opheldering van een concreet strafbaar feit zijn
vastgesteld, is het verwerken van DNA-profielen van veroordeelden
evenmin gekoppeld aan een strafvorderlijke onderzoekshandeling. Plaat-
sing elders in het Wetboek van Strafvordering wringt ook, omdat dit
instrument feitelijk in verband met de opsporing in ruime zin plaatsvindt,
terwijl opsporing in het wetboek onderdeel van het voorbereidend onder-
zoek uitmaakt.
Over het conceptwetsvoorstel zijn adviezen1 ontvangen van de Raad voor
Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ), het College van
procureurs-generaal (College), de Nederlandse Vereniging voor Recht-
spraak (NVvR), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Raad
van Hoofdcommissarissen. Hierbij dient te worden aangetekend dat het
conceptwetsvoorstel, anders dan het wetsvoorstel zoals dat thans luidt,
beperkt was tot veroordeelden wegens gewelds- en zedenmisdrijven. De
algemene conclusie die uit de adviezen kan worden getrokken, is dat de
lijn van het wetsvoorstel steun krijgt. De RSJ kan zich inhoudelijk vinden
in het wetsvoorstel. In de memorie van toelichting zijn volgens de RSJ de
beginselen van rechtszekerheid en de bepalingen uit internationale
1
Ter inzage gelegd bij het Centraal Informa- verdragen voldoende uitgewerkt. Het College kan zich vinden in de strek-
tiepunt Tweede Kamer. king van het wetsvoorstel. Wel is het van oordeel dat de wet niet dient te
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 4
gelden voor personen die op het moment van inwerkingtreding van de
wet reeds zijn veroordeeld. Deze laatste opvatting wordt gedeeld door de
NVvR. Wel spreekt de NVvR haar waardering uit voor het voornemen van
de wetgever te komen tot uitbreiding van de mogelijkheden van het
DNA-onderzoek. Naar het oordeel van de NVvR komt het wetsvoorstel
tegemoet aan de wensen van de politie en het openbaar ministerie en
tevens aan het in Nederland levende rechtsgevoel met betrekking tot de
opsporing en vervolging van daders van zware levens- en zedendelicten.
Het afnemen van celmateriaal kan bijdragen aan de opheldering van
oudere onopgeloste zaken.
De NOvA kan zich op hoofdlijnen verenigen met het wetsvoorstel. Zij is
wel van mening dat met het onderhavige wetsvoorstel opnieuw een prin-
cipiële stap wordt gezet op de weg van legitimering van inbreuken op
fundamentele rechten van burgers ten gunste van preventie, opsporing en
berechting van misdrijven. Om die reden vraagt de NOvA bijzondere
aandacht voor de uitwerking van deze inbreuken. De Raad van Hoofdcom-
missarissen is tot slot verheugd over de uitbreiding van de mogelijkheden
tot het uitvoeren van DNA-onderzoek. De Raad stelt dat het met het thans
voorgestelde wetsvoorstel mogelijk wordt om in de toekomst
DNA-onderzoek breder in te zetten als hulpmiddel bij de opsporing en
mogelijkerwijs als instrument om misdrijven te voorkomen.
Op een aantal onderdelen van het wetsvoorstel hebben de RSJ, het
College, de NVvR, de NOvA en de Raad van Hoofdcommissarissen kritiek.
Op deze punten van kritiek zal hierna in de paragraaf waarop ze betrekking
hebben, worden ingegaan.
3. Achtergronden van en overwegingen bij het DNA-onderzoek
bij veroordeelden
De technische mogelijkheden voor DNA-onderzoek in strafzaken zijn sinds
de invoering ervan in 1994 aanmerkelijk toegenomen. Niet alleen is inmid-
dels het afnemen van wangslijmvlies voldoende voor het bepalen van een
DNA-profiel, ook de kwaliteit van de DNA-profielvergelijking is vergroot
doordat meer kenmerken van de profielen kunnen worden benut. Naast
de toename van technische mogelijkheden is het maatschappelijk draag-
vlak voor strafrechtelijke toepassingen van DNA-onderzoek aanzienlijk
gegroeid. Vooral gedurende de laatste paar jaren is het opsporingsmiddel
van DNA-onderzoek steeds vaker ingezet bij het ophelderen van ernstige
gewelds- en zedenmisdrijven, mede vanwege de zojuist genoemde toege-
nomen kwaliteit van de DNA-profielvergelijking. De belangstelling voor
het gebruik van DNA-onderzoek in strafzaken komt voorts tot uitdrukking
in de vraag, ook vanuit de samenleving, naar grootscheepse
DNA-onderzoeken op vrijwillige basis, waardoor onschuldigen van
verdenking kunnen worden uitgesloten en daders kunnen worden opge-
spoord. Verder wordt in de media steeds vaker aandacht besteed aan
DNA-onderzoek in strafzaken en wordt vanuit de Tweede Kamer aange-
drongen op ruimere toepassing daarvan.
Tegelijkertijd is een zekere bezorgdheid aanwezig over de mogelijke
gevaren van DNA-onderzoek in strafzaken. Deze gevaren bestaan met
name in de voortschrijdende technische mogelijkheden tot het vaststellen
van persoonlijke gegevens die niet relevant zijn voor strafrechtelijk onder-
zoek en het koppelen van deze gegevens aan andere gegevensbestanden,
zoals bijvoorbeeld die van verzekeringsmaatschappijen. Het besef van
deze gevaren en het belang van de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer nopen ertoe bij de vormgeving van toepassingsmogelijk-
heden voor DNA-onderzoek in strafzaken te voorzien in adequate waar-
borgen tegen misbruik.
Ook verdient aandacht dat DNA-onderzoek in strafzaken geen wonder-
middel is. DNA-onderzoek kan slechts bewijzen of bevestigen dat aange-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 5
troffen celmateriaal behoort tot een bepaalde persoon. DNA-onderzoek
alleen geeft niet de zekerheid dat die persoon ook inderdaad op de plaats
van het misdrijf aanwezig is geweest of dat hij de dader is. Het blijft
daarom van belang dat, naast DNA-onderzoek, het reguliere recherche-
werk wordt voortgezet en ook verder wordt ontwikkeld. Alleen in samen-
hang daarmee zullen meer delicten kunnen worden opgehelderd.
Ondanks de genoemde gevaren en beperkingen die DNA-onderzoek
aankleven, levert dit instrument een belangrijke bijdrage aan de
waarheidsvinding in strafzaken. Dit belang wordt alom onderkend en
komt ook tot uitdrukking in de reeds ingezette lijn van verruiming van de
wettelijke mogelijkheden voor DNA-onderzoek in het voorbereidend
onderzoek. Het onderhavige wetsvoorstel past in deze lijn.
Dit wetsvoorstel kan voorts worden geplaatst tegen de achtergrond van
maatschappelijke bezorgdheid en discussie over ernstige misdrijven.
DNA-onderzoek is immers een strafrechtelijk instrument dat bij de ophel-
dering daarvan uitkomst kan – en blijkt te – bieden, voorzover daarbij
celmateriaal van de dader achterblijft. Wanneer ernstige misdrijven
worden gepleegd door personen die reeds zijn veroordeeld, draagt dat bij
aan de ernst van de schok die de rechtsorde wordt toegebracht en van de
maatschappelijke verontwaardiging die daarop volgt. Snellere opsporing
van daders door middel van DNA-onderzoek kan in dit verband maat-
schappelijke onrust kanaliseren en gedeeltelijk ook wegnemen.
DNA-onderzoek bij veroordeelden kan aldus een positieve bijdrage
leveren aan de veiligheid en de veiligheidsbeleving in de Nederlandse
samenleving.
Een bijkomend voordeel van DNA-onderzoek bij veroordeelden is dat
daardoor tevens andere, reeds gepleegde strafbare feiten kunnen worden
opgehelderd. Het kan daarbij gaan om oudere onopgeloste zaken, waarbij
alle andere opsporingsactiviteiten dan profielvergelijking reeds zijn afge-
sloten, maar ook om betrekkelijk recente zaken waarin het opsporingson-
derzoek nog in volle gang is.
Een overweging die bij het opstellen van dit wetsvoorstel eveneens een
rol heeft gespeeld, is dat van het bepalen van DNA-profielen van veroor-
deelden en het verwerken daarvan in de DNA-databank een preventieve
werking uit kan gaan op het gedrag van die veroordeelden. Dit argument
heeft mede ten grondslag gelegen aan de huidige DNA-regelgeving,
waarin is voorzien in het verwerken van DNA-profielen van veroordeelde
verdachten en van verdachten die zijn ontslagen van alle rechtsvervolging
en op last van de rechter ter beschikking zijn gesteld of in een psychia-
trisch ziekenhuis zijn geplaatst (zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 271, nr.
9, blz. 41–42). De verwachting dat het DNA-profiel van de veroordeelde
een preventieve werking zal kunnen hebben, is gebaseerd op het feit dat
daardoor de zogenoemde pakkans in belangrijke mate wordt vergroot. Uit
onderzoeken naar de afschrikwekkende werking van de pakkans kan
worden geconcludeerd dat er duidelijke aanwijzigingen zijn voor het
bestaan van afschrikkingseffecten van de pakkans (zie F. van Tulder,
Economische bijdragen op het gebied van de criminologie, in: Tijdschrift
voor Criminologie 2000/3, blz. 289). Ofschoon deze onderzoeken, voor-
zover bekend, geen betrekking hebben op DNA-onderzoek bij veroor-
deelden, lijkt het aannemelijk dat de conclusies daarvan in het algemeen
ook opgeld doen bij de door dit instrument vergrote pakkans. De
verwachte preventieve werking voorkomt letsel en schade bij nieuwe
slachtoffers of nabestaanden.
Aan dit voorstel tot DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn ook nadelen
verbonden. Naast de inbreuken die op de grondrechten van de lichame-
lijke integriteit en de persoonlijke levensfeer worden gemaakt, is inherent
aan het wetsvoorstel dat de veroordeelden om wie het gaat min of meer
nadrukkelijk als potentiële recidivisten worden benaderd. Het verwerken
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 6
van hun DNA-profielen in de DNA-databank strekt er immers onder
andere toe de opsporing, vervolging en berechting van toekomstige straf-
bare feiten van deze veroordeelden effectiever te doen zijn. Deze benade-
ring van veroordeelden levert enige spanning op met het resocialisatie-
streven. Deze spanning wordt in het onderhavige wetsvoorstel evenwel
aanvaard. Naast de zorg die ten aanzien van veroordeelden moet worden
betracht met het oog op hun resocialisatie, staat immers de evenzeer
legitieme zorg voor een adequate beveiliging van de samenleving tegen
misdrijven als waarvoor deze veroordeelden zijn veroordeeld. In het span-
ningsveld dat tussen beide kan bestaan, is het vooral van belang op een
verantwoorde en evenwichtige wijze keuzes te maken. Vanuit het oogpunt
van een adequate beveiliging van de samenleving is het betrekkelijk
vanzelfsprekend dat een instrument als het DNA-onderzoek in deze fase
specifiek wordt gericht op personen van wie blijkens hun veroordeling
vaststaat dat zij in staat zijn geweest het soort ernstige misdrijven te
plegen voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek van betekenis kan
zijn. Gelet op de ernst van deze misdrijven kan dit ook worden aanvaard,
zoals in het geldende recht reeds is aanvaard dat een veroordeling
voldoende grondslag vormt voor het langdurig bewaren van het
DNA-profiel en het celmateriaal van de veroordeelde verdachte. In deze
afweging speelt mee dat de genoemde nadelen van het DNA-onderzoek
bij veroordeelden kunnen worden beperkt door het celmateriaal op de
minst ingrijpende wijze af te nemen en door dit betrekkelijk snel na de
veroordeling te doen. Bovendien zal het DNA-onderzoek worden verricht
bij nagenoeg alle veroordeelden wegens misdrijven waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten, omdat vaststelling van concreet recidivegevaar
niet is vereist (zie daarover nader paragraaf 5.3). Een uitdrukkelijke consta-
tering van recidivegevaar door de officier van justitie of de rechtbank ten
overstaan van de veroordeelde zal als gevolg daarvan vrijwel altijd achter-
wege blijven. Tot slot verdient ook in dit verband aandacht dat het voorge-
stelde DNA-onderzoek zich niet uitstrekt tot veroordeelden die op het
tijdstip van inwerkingtreding van de wet hun straf of maatregel reeds
volledig hebben ondergaan (zie paragraaf 5.1).
4. Samenhangen met andere wetsvoorstellen en
beleidsinitiatieven
Het onderhavige wetsvoorstel staat in meer opzichten niet op zichzelf.
In de eerste plaats ligt het wetsvoorstel in het verlengde van de wet van
5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in straf-
zaken (Stb. 2001, 335) die op 1 november 2001 in werking is getreden. In
beide voorstellen staan verruimde mogelijkheden tot afname van
celmateriaal voor DNA-onderzoek en opname van DNA-profielen in de
DNA-databank centraal. De wet van 5 juli 2001 ziet daarbij op het voorbe-
reidend onderzoek, het onderhavige wetsvoorstel op de fase na de veroor-
deling. Daarnaast heeft de Tweede Kamer op 1 oktober 2002 het wetsvoor-
stel aanvaard waarin wordt geregeld dat DNA-onderzoek in strafzaken op
basis van gevonden celmateriaal zich niet alleen mag richten op vergelij-
king van DNA-profielen, maar ook op het vaststellen van bepaalde uiterlijk
waarneembare persoonskenmerken van de onbekende verdachte
(Kamerstukken II 2001/02, 28 072, nrs. 1–2).
In de tweede plaats is er samenhang met andere initiatieven, waarbij in
het bijzonder het voorkomen van recidive van veroordeelden centraal
staat. In dit verband kunnen onder meer worden genoemd: het beleid tot
behandeling van psychisch gestoorden in detentie (Kamerstukken II 1999/
2000, 26 800 VI, nr. 75), de in paragraaf 2 reeds genoemde herziening van
de vervroegde invrijheidstelling (Sancties in perspectief, 2000, blz. 54 e.v.)
en het beleid inzake de informatieverschaffing bij terugkeer van pedosek-
suele delinquenten in de samenleving (Kamerstukken II 1999/2000, 26 800
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 7
VI, nr. 52). Deze initiatieven en het onderhavige wetsvoorstel kunnen
elkaars preventieve werking versterken.
5. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
5.1 De categorie veroordeelden waarvoor de wet geldt
Het voorgestelde DNA-onderzoek zal worden bevolen ten aanzien van
veroordeelden wegens de hierna in paragraaf 5.2 te bespreken misdrijven,
tenzij bij de veroordeling geen straf, alleen een geldboete of een financiële
maatregel is opgelegd. Zie de voorgestelde artikelen 2 en 8. De veroor-
deelden kunnen plegers of deelnemers zijn.
In het concept van dit wetsvoorstel was bepaald dat DNA-onderzoek zou
plaatsvinden ongeacht de soort straf of maatregel die de veroordeelde is
opgelegd. Naar aanleiding van de adviezen van de NOvA en het College
van procureurs-generaal is dit standpunt heroverwogen. De NOvA stelt
voor het toepassingsbereik van de wet te beperken tot veroordeelden
wegens misdrijven waarvoor een gevangenisstraf is opgelegd waarvan
het onvoorwaardelijke gedeelte tenminste een jaar bedraagt, alsmede tot
veroordeelden die een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende maatregel
opgelegd hebben gekregen. Dit voorstel van de NOvA komt voort uit de
overweging dat het bij DNA-onderzoek om een vergaande inbreuk op de
persoonlijke levenssfeer gaat en dat daarom terughoudende toepassing
geboden is. Het College neemt eveneens het standpunt in dat de reik-
wijdte van de wet beperkt moet worden tot personen die veroordeeld zijn
tot een vrijheidsstraf. Vrijheidsbenemende maatregelen noemt het College
niet uitdrukkelijk, maar het advies geeft geen aanleiding te veronder-
stellen dat het OM die erbuiten wil laten. Volgens het College doet deze
beperking meer recht aan het argument uit de memorie van toelichting bij
het conceptwetsvoorstel, dat de aard en de ernst van de aangewezen
misdrijven het bepalen en verwerken van een DNA-profiel van de veroor-
deelde rechtvaardigen. Het College brengt anders dan de NOvA geen
beperking aan met betrekking tot de minimale duur van de opgelegde
straf.
Gesteld kan worden dat beide adviesorganen het onvoldoende vinden dat
de aard en ernst van de misdrijven in abstracto uit de wet worden afge-
leid, in plaats van dat tevens gekeken wordt naar de beoordeling in
concreto daarvan door de rechter zoals die tot uitdrukking komt in de
opgelegde straf of maatregel. De kern van de bezwaren lijkt te zijn dat het
DNA-onderzoek bij veoordeelden disproportioneel is indien niet naar de
soort opgelegde straf wordt gedifferentieerd.
Tegenover deze bezwaren staan echter goede argumenten om bij de
toepassing van DNA-onderzoek bij veroordeelden niet of zo min mogelijk
te differentiëren naar de soort of duur van de straf of maatregel die bij de
veroordeling is opgelegd. In de eerste plaats leggen in dit verband de
belangen van (toekomstige) slachtoffers en die van de samenleving bij
effectieve opsporing veel gewicht in de schaal. Straftoemeting is in Neder-
land sterk afhankelijk van feitelijke omstandigheden in het concrete geval
en van de persoonlijke omstandigheden van de dader. Het ligt niet voor
de hand om de effectiviteit van de toekomstige opsporing van deze
omstandigheden in een eerdere strafzaak afhankelijk te stellen. In dit
verband verdient, ten tweede, aandacht dat plegers van ernstige
misdrijven in veel gevallen geen vrijheidsbenemende sanctie, maar alleen
een taakstraf (werk- of leerstraf) opgelegd krijgen. In de voorstellen van de
NOvA en het College zou van deze veroordeelden geen DNA-profiel
behoeven te worden vastgelegd. Het afzien van DNA-onderzoek in deze
gevallen is, gelet op de zwaarte van deze misdrijven, niet gewenst en zou
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 8
ook niet stroken met de nagestreefde verruiming van de strafrechtelijke
toepassing van DNA-onderzoek. In de derde plaats is van belang dat het
verwerken van DNA-profielen van veroordeelden bij wie in het voorberei-
dend onderzoek als verdachten DNA-onderzoek heeft plaatsvonden, niet
afhankelijk is gesteld van een veroordeling tot een straf of maatregel van
een bepaalde soort of duur. Uit een oogpunt van eenheid in het wettelijk
stelsel is het gewenst dat er bij het strafrechtelijke DNA-onderzoek zo min
mogelijk afwijkende regelingen zijn. Tot slot is DNA-onderzoek bij veroor-
deelden ook in de onderzochte buitenlanden niet afhankelijk gesteld van
de soort of duur van de strafsanctie die in het concrete geval is opgelegd.
Na weging van de hiervoor weergegeven argumenten is de regering van
oordeel dat een beperking van het DNA-onderzoek tot veroordeelden die
een vrijheidsbenemende straf of maatregel opgelegd hebben gekregen,
niet wenselijk is omdat ook bij ernstige misdrijven in veel gevallen een
taakstraf wordt opgelegd. Uit oogpunt van proportionaliteit en in het
verlengde van de adviezen van de NOvA en het College is wel enige
nadere beperking aangebracht. Deze beperking houdt in dat geen
DNA-onderzoek zal plaatsvinden bij diegenen die zijn veroordeeld zonder
oplegging van straf, tot alleen een geldboete, of die bij de veroordeling
alleen een strafrechtelijke maatregel van financiële aard opgelegd hebben
gekregen. Deze geringe afwijking ten opzichte van de regeling voor de
veroordeelde verdachte, waarin niet naar soort en duur van de opgelegde
straf is gedifferentieerd, laat zich rechtvaardigen door de omstandigheid
dat het celmateriaal en het DNA-profiel van de veroordeelde verdachte
omwille van de waarheidsvinding al was verkregen en derhalve bij de
veroordeling nog beschikbaar is, terwijl het bij de andere veroordeelde
alsnog zal moeten worden verkregen.
Het voorgaande brengt mee dat ook indien alleen een taakstraf is opge-
legd, DNA-onderzoek bij de veroordeelde wordt bevolen. Mede in verband
daarmee is voorzien in een mogelijkheid van aanhouding, voor het geval
de veroordeelde niet vrijwillig verschijnt op de in het bevel aangegeven
tijd en plaats.
Anders dan de NOvA voorstelt, wordt ingevolge dit wetsvoorstel ook
DNA-onderzoek verricht bij personen die alleen een voorwaardelijke
gevangenisstraf of taakstraf opgelegd hebben gekregen, dan wel TBS met
voorwaarden of een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrich-
ting voor de opvang van verslaafden. De redenen die hierboven zijn
vermeld om niet of zo min mogelijk te differentiëren naar soort of duur
van de opgelegde sanctie, zijn ook hier van toepassing. Hierbij speelt
verder een rol dat in de oplegging van de betreffende straf of maatregel,
ook al wordt deze onder voorwaarden niet ten uitvoer gelegd, tot uitdruk-
king komt dat het om een ernstig strafbaar feit gaat.
Het wetsvoorstel ziet niet alleen op veroordeelden, maar ook op personen
die op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht zijn ontslagen
van alle rechtsvervolging en aan wie tevens een maatregel als voorzien in
artikel 37 (plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis), 37a juncto 37b (TBS
met verpleging van overheidswege) of 38 (TBS met voorwaarden), 38m
(plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden) of 77s (plaat-
sing in een inrichting voor jeugdigen) van het Wetboek van Strafrecht is
opgelegd. De omstandigheid dat het gepleegde feit aan deze personen
niet kan worden toegerekend, doet immers geenszins af aan het belang
van een effectieve opsporing en opheldering van eventueel eerder
gepleegde en toekomstige strafbare feiten van deze personen. Dat het
wetsvoorstel zich ook tot deze categorie personen uitstrekt, onderstreept
dat het voorgestelde DNA-onderzoek niet als straf in de zin van artikel 1
van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt (zie over dit
laatste ook paragraaf 6.2 van deze memorie van toelichting).
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 9
Een andersoortige uitbreiding van de categorie personen waarvoor de wet
geldt, is voorzien in artikel 8 van het wetsvoorstel. Daarin is bepaald dat
het DNA-onderzoek ook plaatsvindt bij personen die op het moment dat
de wet in werking treedt een vrijheidsbenemende straf of maatregel
ondergaan of nog moeten ondergaan. Deze straf of maatregel moet dan
uiteraard wel zijn opgelegd bij een veroordeling of ontslag van alle rechts-
vervolging op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht,
wegens een misdrijf als bedoeld in het voorgestelde artikel 2, eerste lid,
aanhef. De bepaling van artikel 8 zal slechts tijdelijk worden toegepast. Op
het moment dat de wet in werking treedt, is immers ook de groep
personen die op dat moment is veroordeeld, definitief bepaald. Nadat bij
deze personen het DNA-onderzoek is verricht, is artikel 8 uitgewerkt.
In paragraaf 6.2 van deze memorie van toelichting zal aan de orde komen
dat de bepaling van artikel 8 met betrekking tot reeds veroordeelden
betrekkelijk vergaand kan worden genoemd, maar niettemin aanvaard-
baar is. Van personen die wegens een ernstig misdrijf een vrijheidsbene-
mende straf of maatregel ondergaan of nog moeten ondergaan, kan
immers in redelijkheid worden verlangd dat celmateriaal voor
DNA-onderzoek wordt afgestaan, alvorens zij weer op vrije voeten komen.
Personen die hun straf of maatregel reeds volledig hebben ondergaan,
vallen buiten het bereik van het voorgestelde artikel 8. De rechtszekerheid
en het beginsel van resocialisatie stellen hier grenzen. Evenmin is het
artikel, anders dan artikel 2, van toepassing op personen die voor de
inwerkingtreding van de wet tot een geheel voorwaardelijke vrijheidstraf
zijn veroordeeld, of die alleen TBS met voorwaarden opgelegd hebben
gekregen. De bepaling van artikel 8 terzake van reeds veroordeelden
wordt door deze beperkingen nadrukkelijk gereserveerd voor de zwaar-
dere gevallen.
5.2 De misdrijven waarvoor moet zijn veroordeeld
Voorgesteld wordt DNA-onderzoek mogelijk te maken bij veroordeelden
wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het
Wetboek van Strafvordering, oftewel een misdrijf waarvoor voorlopige
hechtenis is toegelaten. Op dit punt is de reikwijdte van het onderhavige
wetsvoorstel verruimd ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel,
zoals dat aan de Raad van State en de adviesinstanties is voorgelegd. Het
oorspronkelijk wetsvoorstel was beperkt tot veroordeelden wegens speci-
fiek aangewezen gewelds- en zedenmisdrijven, waarvoor voorlopige
hechtenis toegelaten is. Met de verruiming van het wetsvoorstel wordt
uitvoering gegeven aan het streven van de regering naar een ruimere
toepassing van het strafrechtelijke DNA-onderzoek. De doelen van het
wetsvoorstel doen naar het oordeel van de regering evenzeer opgeld bij
andere ernstige misdrijven dan alleen gewelds- en zedenmisdrijven. Een
belangrijk misdrijf in dit verband is woninginbraak. Op dit moment bevat
de DNA-databank veel DNA-profielen van sporen van woninginbraken,
maar zeer weinig DNA-profielen van inbrekers. Door de verbreding van de
reikwijdte van dit wetsvoorstel kan deze scheve verhouding meer in even-
wicht worden gebracht en kunnen door DNA-onderzoek vaker woning-
inbraken worden opgelost. Daarnaast wordt de eenheid in het wettelijk
stelsel aanzienlijk vergroot door niet alleen bij verdachten in het voorbe-
reidend onderzoek, maar ook bij veroordeelden de grens voor
DNA-onderzoek te leggen bij misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis
kan worden toegepast.
Er zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten waarbij
DNA-onderzoek niet of nauwelijks een rol van betekenis kan spelen, zoals
bijvoorbeeld meineed of valsheid in geschrift. Bij deze feiten zal ook in het
voorbereidend onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek worden
afgenomen vanwege het vereiste belang van het onderzoek. Ook in het
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 10
kader van het onderhavige wetsvoorstel ligt daarom een inperking in de
rede. Deze inperking houdt in dat ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b,
geen DNA-onderzoek zal plaatsvinden indien redelijkerwijs aannemelijk is
dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde
niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervol-
ging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
5.3 Het geval waarin DNA-onderzoek plaatsvindt; vaststelling concreet
recidivegevaar niet vereist
In het systeem van het onderhavige wetsvoorstel wordt als regel bij
iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef,
celmateriaal afgenomen voor DNA-onderzoek voorzover dat in het voor-
bereidend onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Op deze regel
bestaan twee soorten uitzonderingen, die in het systeem van dit wetsvoor-
stel beide vallen onder de in artikel 2, eerste lid, onder b, neergelegde
bepaling dat DNA-onderzoek achterwege blijft indien redelijkerwijs aanne-
melijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroor-
deelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing,
vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
De eerste uitzondering is in de vorige paragraaf reeds aan de orde
gekomen en houdt in dat DNA-onderzoek achterwege blijft bij veroor-
deelden wegens misdrijven voor de opheldering waarvan DNA-onderzoek
niet van betekenis kan zijn. Deze uitzondering correspondeert met het
vereiste van het belang van het onderzoek in het voorbereidend onder-
zoek. De tweede uitzondering doet zich voor in het geval dat ondanks dat
sprake is van een veroordeling wegens een relevant misdrijf,
DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. Hierbij valt te denken
aan een veroordeelde van wie zeer onaannemelijk is dat hij ooit eerder
een strafbaar feit heeft gepleegd voor de opsporing waarvan
DNA-onderzoek van belang kan zijn, en die dat in de toekomst, bijvoor-
beeld vanwege ernstig lichamelijk letsel, ook nooit meer zal kunnen doen.
De uitzonderingsmogelijkheid is evenwel niet beperkt tot gevallen waarin
het feitelijk onmogelijk is dat de veroordeelde recidiveert. Zo zal onder
omstandigheden ook het geval in aanmerking kunnen komen van een
vrouw die nog nooit met justitie in aanraking is geweest en die na jaren-
lange mishandeling door haar man er uiteindelijk toe komt hem ernstig
letsel toe te brengen of te doden. In een dergelijk geval mag
DNA-onderzoek overigens uitsluitend achterwege blijven op de in artikel
2, eerste lid, onder b, omschreven grond en niet (mede) op grond van een
eventueel in de strafzaak vastgestelde mindere strafwaardigheid. Een
ander voorbeeld van een geval dat onder omstandigheden in aanmerking
kan komen, is dat van een arts die op grond van een onregelmatigheid in
de naleving van de procedure bij euthanasie wordt veroordeeld voor
moord.
Uit de voorgaande alinea volgt dat deze tweede uitzondering slechts een
beperkte reikwijdte heeft. Zij gaat verder dan de feitelijke onmogelijkheid
dat wordt gerecidiveerd, maar vereist altijd een objectief waardeerbare
omstandigheid; louter berouw of een belofte van de veroordeelde is
onvoldoende. Een nadere duiding van de reikwijdte van deze uitzondering
is in abstracto echter moeilijk te geven. Zij zal door toepassing in concrete
gevallen – aan de hand van de omstandigheden en de persoon van de
veroordeelde – in de beoordeling van de officier van justitie en de rechter
(zie paragraaf 5.4) nader gestalte moeten krijgen.
De uitzonderingsmogelijkheid van artikel 2, eerste lid, onder b, is mede
aangebracht met het oog op artikel 8, tweede lid, van het EVRM, dat eist
dat inbreuken op de onaantastbaarheid van het lichaam en op de
persoonlijke levenssfeer noodzakelijk zijn in een democratische samenle-
ving. Het recht om bij de rechtbank een bezwaarschrift in te dienen kan in
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 11
dit verband worden gezien als waarborg voor proportionele toepassing
van het DNA-onderzoek bij veroordeelden.
Artikel 2 eist om de volgende redenen niet dat ten aanzien van de veroor-
deelde concreet recidivegevaar wordt vastgesteld. In de eerste plaats is
het inschatten van recidivegevaar niet eenvoudig en zal dat daarom nogal
eens kunnen leiden tot beoordelingsfouten. Gelet op de consequenties
daarvan voor de effectiviteit van de opsporing van eerdere of toekomstige
strafbare feiten van de veroordeelde, zal de beoordelende autoriteit naar
valt te verwachten zeer voorzichtig opereren en bij ernstige misdrijven
min of meer standaard DNA-onderzoek bevelen. De toegevoegde waarde
van het vereiste dat concreet recidivegevaar wordt vastgesteld, is dan niet
meer vanzelfsprekend.
Gesteld kan worden dat in dit wetsvoorstel een aanname van recidive-
gevaar besloten ligt. Naar het oordeel van de regering is dit ook gerecht-
vaardigd. Voorzover het gaat om gewelds- en zedenmisdrijven kan in dit
verband worden gewezen op de voorlopige analyses die in het kader van
de WODC-Recidivemonitor zijn verricht. Daaruit komt naar voren dat
ongeveer tien procent van de veroordeelden wegens een ernstig gewelds-
of zedenmisdrijf binnen vijf jaar wederom veroordeeld wordt wegens een
gelijksoortig misdrijf dan wel eenzelfde misdrijf. De algemene recidive
onder deze personen ligt hoger. Meer dan vijftig procent van de plegers
van een ernstig geweldsmisdrijf heeft binnen vijf jaar een nieuw justitie-
contact opgebouwd. Bij de plegers van een zedenmisdrijf is dit percentage
veertig. Voorzover het gaat om recidive van inbraken kan worden
gewezen op de omstandigheid dat uit het sporenbestand van de
DNA-databank blijkt dat het veelvuldig voorkomt dat celmateriaal van een
persoon op diverse delictplaatsen wordt aangetroffen.
Een andere reden om concreet recidivegevaar niet als vereiste op te
nemen is dat dit vereiste niet aansluit bij alle doelen van het
DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dit instrument beoogt immers mede
bij te dragen aan de opheldering van eventuele reeds gepleegde strafbare
feiten van de veroordeelde; het inschatten van recidivegevaar is daar niet
op gericht. Tot slot is een uitdrukkelijke vaststelling van recidivegevaar
door de officier van justitie en de rechtbank ten overstaan van de veroor-
deelde uit een oogpunt van resocialisatie minder gewenst (zie ook para-
graaf 3).
Het systeem van het onderhavige wetsvoorstel kan aldus worden samen-
gevat: voor DNA-onderzoek bij veroordeelden is een positieve vaststelling
van recidivegevaar niet vereist, maar het DNA-onderzoek dient achter-
wege te blijven ingeval komt vast te staan dat geen opsporingsbelang
terzake van reeds gepleegde strafbare feiten of enig relevant recidive-
gevaar aanwezig is.
5.4 Centrale rol openbaar ministerie; controlerende rol rechter
Het openbaar ministerie speelt bij het voorgestelde DNA-onderzoek bij
veroordeelden een centrale rol. Daarvoor zijn verschillende redenen.
In de eerste plaats houdt de positie van het openbaar ministerie in het
wetsvoorstel verband met de primaire strekking van het DNA-onderzoek
in strafzaken, te weten de zekerstelling van een potentieel opsporing-
smiddel ten behoeve van andere strafzaken dan die waarin de betrokkene
is veroordeeld. Het DNA-onderzoek bij veroordeelden kan daarmee
bijdragen aan de kwaliteit en effectiviteit van de opsporing. De zorg daar-
voor ligt bij uitstek bij het openbaar ministerie. Ingevolge artikel 124 van
de Wet op de rechterlijke organisatie is het openbaar ministerie immers
belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, waaronder
de opsporing van strafbare feiten is begrepen.
In de tweede plaats past een centrale positie van het openbaar ministerie
ook goed bij de fase van de strafzaak waarin het DNA-onderzoek plaats-
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 12
vindt. Dat gebeurt immers na de veroordeling, dat wil zeggen ten tijde van
de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf of maatregel. In die fase
heeft het openbaar ministerie ingevolge artikel 553 van het Wetboek van
Strafvordering een sleutelpositie.
Tot slot sluit een centrale rol voor het openbaar ministerie goed aan bij de
bemoeienis die de officier van justitie heeft gehad met de strafzaak van de
veroordeelde. Tijdens het strafproces heeft de officier aan de hand van het
strafdossier en de terechtzitting inzicht kunnen verkrijgen in het belang
van een eventueel DNA-onderzoek bij de veroordeelde. Op grond van dat
inzicht is hij goed in staat te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is
dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde al
of niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing,
vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Anders dan de NVvR meent, doet de in artikel 2, eerste lid, onder b, voor-
ziene uitzonderingsmogelijkheid daarom naar het oordeel van de regering
niet een te zwaar beroep op het interpretatie- en inschattingsvermogen
van de officier van justitie.
De centrale rol die het openbaar ministerie bij het DNA-onderzoek vervult,
houdt het volgende in. Het is de officier van justitie die zo spoedig moge-
lijk na de veroordeling het bevel geeft tot afname van celmateriaal voor
DNA-onderzoek. Het geven van het bevel is geen bevoegdheid, maar een
verplichting. De magistratelijke kant van het werk van de officier van
justitie komt – zo kan in antwoord op een vraag daarover van het College
worden opgemerkt – in dit verband met name tot uitdrukking in de van
hem verlangde beoordeling of een van de uitzonderingen van artikel 2,
eerste lid, zich voordoet en in de verantwoording van deze beoordeling
voor de rechtbank ingeval een bezwaarschrift wordt ingediend.
In het verlengde van het bevel benoemt de officier de deskundige die het
DNA-onderzoek verricht en hem verslag uitbrengt van zijn bevindingen.
Verder zijn aan hem een aantal ondersteunende bevoegdheden toegekend
(bevel tot aanhouding, ophouding en inbeslagneming; bevoegdheid tot
betreden en doorzoeken van de woning van de veroordeelde). Tenslotte
neemt de officier van justitie, ingeval de veroordeelde een bezwaarschrift
indient, de in een raadkamerprocedure gebruikelijke positie in.
Zoals in paragraaf 2 reeds aan de orde is gekomen, is de rechter in dit
wetsvoorstel niet de autoriteit die de verplichting tot DNA-onderzoek
oplegt. De rol van de rechter heeft een ander karakter, namelijk die van
controleur. Hij beslist op het door de veroordeelde ingediende bezwaar-
schrift. De voorziene bezwaarschriftprocedure waarborgt een proportio-
nele toepassing van het DNA-onderzoek bij veroordeelden. Zie voor een
nadere uiteenzetting over deze procedure de toelichting op artikel 7 in
paragraaf 9.
5.5 Beknopte beschrijving van de procedure bij DNA-onderzoek bij
veroordeelden
Na de veroordeling wegens een «DNA-misdrijf» geeft de officier van
justitie zo spoedig mogelijk het bevel tot afname van celmateriaal voor
DNA-onderzoek, tenzij naar zijn oordeel een van de uitzonderingsgronden
van artikel 2, eerste lid, zich voordoet. Het is niet de bedoeling dat de
officier van justitie het bevel pas geeft op het moment dat de betrokken
veroordeelde verdachte is geworden in een nieuwe strafzaak waarover
deze officier de leiding heeft (zie nader de toelichting op artikel 2, eerste
lid).
In het bevel wordt aangegeven waar en op welk tijdstip het bevel ten
uitvoer wordt gelegd. Dit laatste is met name van belang voor veroor-
deelden die zich op vrije voeten bevinden. Van de veroordeelde wordt
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 13
verwacht dat hij zich op de aangegeven tijd en plaats meldt. Dit zal voor
veroordeelden die niet zijn gedetineerd, het politiebureau zijn.
Verschijnt de veroordeelde niet, dan zal door de uitvoerders van het bevel
contact moeten worden opgenomen met de officier van justitie, die
vervolgens een bevel tot aanhouding uitvaardigt.
De aangehouden persoon kan, voorzover noodzakelijk voor het vaststellen
van zijn identiteit, voor ten hoogste zes uren worden opgehouden, met
dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen uur ’s morgens
niet wordt meegerekend. Deze ophouding ligt in de rede indien de identi-
teit van de aangehouden persoon niet kan worden vastgesteld door
middel van een sofi-nummer. De zes uren zijn nodig om via het nemen
van lichaamsmaten, foto’s en vingerafdrukken zijn identiteit te achter-
halen. Indien zijn identiteit is vastgesteld, kan de veroordeelde voor ten
hoogste zes uren worden opgehouden voor het afnemen van
celmateriaal, met dien verstande dat de tijd tussen middernacht en negen
uur ’s morgens niet wordt meegerekend. In veel gevallen zal het afnemen
niet zo veel tijd in beslag behoeven te nemen, maar deze tijd kan in de
praktijk nodig zijn indien een aantal niet verschenen veroordeelden in een
keer wordt aangehouden voor de tenuitvoerlegging van de DNA-bevelen,
of indien de arts of verpleegkundige onverwacht verhinderd blijkt te zijn
en er een vervanger moet worden opgeroepen. Overigens sluit artikel 4
uit dat een aangehouden persoon twee nachten achtereen wordt opge-
houden.
Voorzover de veroordeelde is gedetineerd, zal het bevel in de betreffende
inrichting ten uitvoer worden gelegd. Dit zal in beginsel geschieden door
de arts of de verpleegkundige die aan de inrichting is verbonden.
Nadat het DNA-onderzoek is verricht en het DNA-profiel in de
DNA-databank is verwerkt, wordt de officier van justitie het verslag van de
deskundige die het onderzoek heeft uitgevoerd, toegezonden. Indien het
DNA-profiel van de veroordeelde overeenkomt met een ander in de
DNA-databank verwerkt profiel, wordt de veroordeelde daarvan op de
hoogte gesteld zodra het belang van het onderzoek dat toelaat. Voorzover
de veroordeelde dan inmiddels verdachte is geworden, kan hij aanspraak
maken op de rechten en bevoegdheden die het Wetboek van Strafvorde-
ring hem toekent, waaronder het recht op tegenonderzoek zoals voorzien
in artikel 151a, vierde lid.
6. Toetsing aan grondrechten en algemene rechtsbeginselen
De vraag kan worden gesteld of het voorgestelde DNA-onderzoek bij
veroordeelden de toets aan relevante grondrechten en aan algemene
rechtsbeginselen kan doorstaan. Naast de Grondwet zijn in dit verband
vooral het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens
en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van belang. Tegen die
achtergrond wordt in de eerstvolgende paragraaf (6.1) stilgestaan bij het
DNA-onderzoek bij personen die na de inwerkingtreding van de wet
worden veroordeeld. Het DNA-onderzoek bij personen die voor de inwer-
kingtreding van de wet zijn veroordeeld (onmiddellijke werking), komt in
de daaropvolgende paragraaf (6.2) aan de orde.
6.1 DNA-onderzoek bij personen die na de inwerkingtreding van de wet
worden veroordeeld
Bij DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn twee grondrechten in het
geding. In de eerste plaats is het recht op onaantastbaarheid van het
lichaam aan de orde waar het gaat om het afnemen van celmateriaal. Dit
grondrecht is neergelegd in artikel 11 van de Grondwet en ligt besloten in
artikel 8 van het EVRM (EHRM 26 maart 1985, NJ 1985, 525, de zaak X. en
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 14
Y.). In de tweede plaats is het recht op eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer in het geding voorzover het gaat om het bepalen en
verwerken van DNA-profielen en het bewaren van het celmateriaal
waaruit die profielen zijn verkregen. Dit grondrecht is voorzien in artikel 10
van de Grondwet, artikel 8 van het EVRM en artikel 17 van het IVBPR.
Het recht op onaantastbaarheid van het lichaam
Duidelijk is dat door de afname van celmateriaal inbreuk wordt gemaakt
op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam. Artikel 11 van de
Grondwet en artikel 8 van het EVRM laten op dit recht echter beperkingen
toe die bij of krachtens de wet zijn voorzien («in accordance with the
law»). Artikel 8 EVRM stelt aan deze beperkingen de eis dat daar een legi-
tiem doel mee wordt nagestreefd. Als legitieme doelen worden in het
artikel onder andere erkend: het voorkomen van strafbare feiten en de
bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Verder eist artikel
8 van het EVRM dat beperkingen noodzakelijk zijn in een democratische
samenleving. Deze laatste eis houdt in dat voor de inbreuk op het grond-
recht een dringende maatschappelijke noodzaak aanwezig is, dat de
inbreuk op de minst ingrijpende wijze plaatsvindt en dat op de inbreuk
controle mogelijk is.
Met de wettelijke regeling van DNA-onderzoek bij veroordeelden wordt
voldaan aan de eis dat de inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van
het lichaam bij of krachtens de wet is voorzien. Zo is in de artikelen 2 en 8
specifiek omschreven in welke gevallen celmateriaal van veroordeelden
wordt afgenomen, en in artikel 5 op welke wijze dat gebeurt.
Daarnaast worden met het onderhavige voorstel van wet legitieme doelen
als omschreven in artikel 8 van het EVRM nagestreefd. Zoals in para-
graaf 3 is uiteengezet, wordt met DNA-onderzoek bij veroordeelden
beoogd bij te dragen aan de voorkoming, opsporing, vervolging en
berechting van strafbare feiten van veroordeelden. In de jurisprudentie
van het EHRM is aanvaard dat dit doel kan worden begrepen onder het in
artikel 8 genoemde voorkomen van strafbare feiten (vgl. bijvoorbeeld
EHRM 16 december 1992, NJ 1993, 400, de zaak Niemitz). Bovendien
strekt DNA-onderzoek tot bescherming van de rechten en vrijheden van
anderen, zoals slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven.
Ook is het voorgestelde DNA-onderzoek «noodzakelijk in een democrati-
sche samenleving». De inmenging in het recht op onaantastbaarheid van
het lichaam van een veroordeelde wordt gerechtvaardigd door het zwaar-
wegende algemeen belang van de strafrechtelijke handhaving van de
rechtsorde. De overheid dient ervoor te zorgen dat misdrijven zoveel
mogelijk wordt voorkomen en dat de daders daarvan zoveel mogelijk
worden opgespoord, vervolgd en berecht. Dit geldt ook voor de opsporing
van nieuwe en oude misdrijven van veroordeelden. Zoals de praktijk de
laatste jaren heeft uitgewezen, is DNA-onderzoek op dit moment het
meeste effectieve instrument om de overheid daarbij te ondersteunen. Bij
veel misdrijven worden sporen achtergelaten aan de hand waarvan met
behulp van DNA-onderzoek een DNA-profiel kan worden gemaakt. Verge-
lijking van dat profiel met de andere in de DNA-databank opgenomen
profielen kan vervolgens op snelle en betrekkelijk eenvoudige, zeer
betrouwbare wijze een aanwijzing opleveren dat betrokkene het strafbare
feit heeft gepleegd dan wel ontlastend materiaal voor hem opleveren. Een
ander opsporingsmiddel dan DNA-onderzoek waarmee vergelijkbare
resultaten kunnen worden behaald, is niet beschikbaar.
Met het oog op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is bij
de vormgeving van het DNA-onderzoek bij veroordeelden gestreefd naar
een zo beperkt mogelijke inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van
het lichaam. In de eerste plaats wordt voorgesteld het DNA-onderzoek
alleen te verrichten bij personen die wegens ernstige misdrijven zijn
veroordeeld (zie artikel 2, eerste lid). Ook wordt bij wijze van ondergrens
Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 685, nr. 3 15
de eis gesteld dat de afname van celmateriaal voor DNA-onderzoek rede-
lijkerwijs van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing,
vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Op de
naleving van deze eis is controle mogelijk door de rechter (artikel 7). Tot
slot is van belang dat de afname van het celmateriaal zal plaatsvinden op
de voor de betrokkene minst ingrijpende wijze (zie de artikelen 2, tweede
lid, 5 en 6).
Het creëren van de wettelijke mogelijkheid om veroordeelden wegens een
ernstig misdrijf te verplichten mee te werken aan een DNA-onderzoek,
levert geen strijd op met het verbod op discriminatie, zoals neergelegd in
artikel 14 van het EVRM. Het verrichten van een DNA-onderzoek heeft
slechts tot doel het opsporingsbelang te dienen en strekt er niet toe
personen op een zodanige wijze te behandelen dat zij als minder
volwaardig worden beschouwd en in een nadeliger positie worden
gebracht ten opzichte van anderen. Weliswaar kan de veroordeelde wiens
DNA-profiel als gevolg van dit wetsvoorstel in de DNA-databank is
verwerkt, in veel gevallen sneller worden opgespoord terzake van door
hem begane oude of nieuwe strafbare feiten waarbij celmateriaal van hem
is achtergebleven, dan de verdachte of veroo